ECLI:NL:RBLIM:2025:4716
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beperking sluitingsduur pand wegens handel in harddrugs tot zes maanden
De burgemeester van Venlo besloot het pand van verzoekers te sluiten voor negen maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de vondst van 100,7 gram cocaïne en heroïne, contant geld en attributen die duidden op drugshandel. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd en de sluiting noodzakelijk was, maar achtte de duur van negen maanden onevenredig vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder de psychische problematiek van verzoekster en de financiële impact.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de drugs en geld toebehoorden aan de zoon van verzoekers, die strafrechtelijk werd vervolgd en in detentie verbleef. Verzoekers waren deels afhankelijk van de winkel in het pand voor hun inkomen. Hoewel verzoekers betoogden dat de openbare orde was hersteld en zij geen verwijt trof, oordeelde de voorzieningenrechter dat zij redelijkerwijs op de hoogte hadden kunnen zijn van de drugshandel en hun toezichthoudende taak niet hadden vervuld.
De voorzieningenrechter vond het spoedeisend belang voldoende en concludeerde dat de sluiting noodzakelijk bleef om herhaling te voorkomen en het woon- en leefklimaat te beschermen. Gezien de psychische klachten van verzoekster en de impact op hun levensonderhoud werd de sluitingsduur beperkt tot zes maanden. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De sluiting van het pand wordt beperkt tot zes maanden vanwege bijzondere omstandigheden.