AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Contractueel verpandingsverbod en inningsbevoegdheid bij faillissement Stalumex
In deze civiele zaak vordert Timcha c.s. betaling van openstaande facturen van [gedaagde] op grond van pandrechten op debiteurenvorderingen van Stalumex, dat failliet is verklaard. [gedaagde] voert verweer met een beroep op een contractueel verpandingsverbod, verrekening van vorderingen en betwist de omvang van de vorderingen vanwege ontbrekende facturatiebonnen.
De rechtbank stelt vast dat het verpandingsverbod in de algemene voorwaarden van [gedaagde] slechts verbintenisrechtelijke werking heeft en niet goederenrechtelijke, zodat de pandrechten rechtsgeldig zijn gevestigd. Alleen de eerste pandhouder Timcha is inningsbevoegd. De cessie van een vordering door [naam bv] aan [gedaagde] is niet toereikend voor verrekening omdat de vordering pas na faillissement is ontstaan, wat volgens de Faillissementswet niet is toegestaan.
Verder oordeelt de rechtbank dat het beroep van [gedaagde] op keten- en inlenersaansprakelijkheid en opschorting niet slaagt. De garantietermijnen zijn relevant voor de vordering, maar voor het project Victoria Voerendaal is de overeenkomst ontbonden, waardoor de algemene voorwaarden niet meer gelden. De omvang van de vorderingen wordt betwist en partijen krijgen gelegenheid om bewijs aan te leveren en te reageren. De beslissing wordt aangehouden tot nadere bewijslevering.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het verpandingsverbod geen goederenrechtelijke werking heeft, alleen de eerste pandhouder inningsbevoegd is, verrekening na faillissement niet mogelijk is en houdt de zaak aan voor nadere bewijslevering.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/338495 / HA ZA 25-55
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
1.TIMCHA B.V.,
te Heerlen, 2. CHATIM B.V.,
te Heerlen,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Timcha c.s.,
advocaat: mr. R.J.M.C. Rosbeek,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 16 april 2025,
- de nagekomen producties 28 tot en met 44 van Timcha c.s.,
- de nagekomen productie 8 van [gedaagde] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025, - de spreekaantekeningen van Timcha c.s.,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Stalumex B.V (hierna: Stalumex) voerde een bedrijf dat zich bezighield met het construeren van metalen constructiewerken en delen daarvan. Timcha is bestuurder en enig aandeelhouder van Stalumex. Chatim is op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van Timcha. [1]
2.2.
Timcha heeft zich in een overeenkomst van 22 mei 2018 verbonden om aan Stalumex een bedrag van € 400.000,- (bij wijze van rekening-courant krediet) als lening te verstrekken. Tot (meerdere) zekerheid van voldoening heeft Stalumex zich verplicht om aan Timcha het pandrecht te verschaffen op onder meer debiteurenvorderingen (zie artikel 4 vanPro de kredietovereenkomst). [2] Verder is overeengekomen dat de geldlening een looptijd heeft tot 31 december 2023 en dat de hoofdsom dan ineens door Stalumex zal worden afgelost. [3]
2.3.
Hoofdaannemer [gedaagde] en onderaannemer Stalumex hebben op 8 juni 2023 een overeenkomst van onderaanneming gesloten. Stalumex heeft zich daarbij, tegen betaling door [gedaagde] , verbonden tot het leveren en monteren van aluminiumkozijnen voor [gedaagde] in woonzorgcomplex Berg en Terblijt (hierna: project Berg en Terblijt). [4]
2.4.
Aansluitend op de kredietovereenkomst van 22 mei 2018, heeft Stalumex op 12 oktober 2023 aan Timcha een pandrecht verleend op onder andere de debiteurenvorderingen van Stalumex door registratie van de daartoe op 11 oktober 2023 opgemaakte onderhandse pandakte. [5]
2.5.
Op 30 oktober 2023 is tussen Timcha en Stalumex overeengekomen dat het rekening-courant krediet van € 400.000,- uit de oorspronkelijke overeenkomst, wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. [6]
2.6.
In een (vaststellings)overeenkomst van eveneens 30 oktober 2023 tussen Chatim en Stalumex is onder meer opgenomen dat door Chatim, ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening, aan Stalumex gelden ter beschikking zijn gesteld van in totaal € 347.079,- bij wijze van rekening-courant krediet. [7] Ter meerdere zekerheid van voldoening van de verplichting tot terugbetaling heeft Stalumex zich verplicht om aan Chatim onder meer een tweede pandrecht op debiteurenvorderingen te verlenen.
2.7.
Hoofdaannemer [gedaagde] en onderaannemer Stalumex hebben op 7 december 2023 vier (deel-)overeenkomsten van onderaanneming gesloten. Stalumex heeft zich daarbij, tegen betaling door [gedaagde] , verbonden tot het leveren en monteren van aluminiumkozijnen voor [gedaagde] in woonzorgcomplex Victoria Voerendaal (hierna: project Victoria Voerendaal). De vier overeenkomsten zien op (het leveren en monteren van) 1) een entreepui, 2) nieuwbouw, 3) renovatie en 4) dakkapellen renovatie. [8] Op basis van aan haar gezonden facturen heeft [gedaagde] ter zake het project Victoria Voerendaal € 60.600,- aan Stalumex betaald.
2.8.
De overeenkomsten aangegaan ter zake van zowel project Berg en Terblijt als project Victoria Voerendaal bevatten, voor zover hier van belang, de navolgende bepalingen:
8. Garantie
Voor de volgende onderdelen wordt een garantie - en onderhoudstermijn verlangd die moeten gelden vanaf het gereedkomen van het onderdeel tot aan de oplevering van het werk en in aansluiting daarop gedurende de vermelde periode.
Onderdeel:
Aluminium kozijnen/zetwerken
- Garantieperiode:
- Glas - 5 jaar
- Profielen - 5 jaar
- H&S - 1 jaar
(…)
11. Na goedkeuring van de termijnstaten door de projectleider of uitvoerder, zal u (digitaal) een facturatiebon ontvangen.
De facturen dienen, ter referentie, vergezeld te zijn van de bon of het bonnummer, zoals terug te vinden op de digitale bon.
Het facturatiebedrag mag niet afwijken van het bedrag vermeld op de facturatie-bon.
2.9.
De Algemene Voorwaarden Onderaannemingscontract NL van [gedaagde] (hierna: de algemene voorwaarden) zijn van toepassing verklaard op de overeenkomsten tussen [gedaagde] en Stalumex ter zake de projecten Berg en Terblijt en Victoria Voerendaal. Daarin staat onder meer het volgende:
2.6.
Het is onderaannemer verboden zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen aan een derde te cederen, verpanden, of onder welke titel ook in eigendom over te dragen, behoudens na verkregen voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde] .
(…)
3.3
Facturen zonder uitvoerdersbon of facturen die anderszins niet aan bovenstaande voldoen worden niet geaccepteerd en worden door [gedaagde] geretourneerd.
(…)
4.8
Ingeval van faillissement van onderaannemer is [gedaagde] gerechtigd haar betalingsverplichting jegens onderaannemer op te schorten totdat [gedaagde] van fiscus en / of het betrokken uitvoeringsinstituut / bedrijfsvereniging een vrijwarende verklaring ten genoege van [gedaagde] heeft ontvangen, waaruit blijkt dat [gedaagde] niet aansprakelijk is of zal worden uit hoofde van de Wet Ketenaansprakelijkheid wegens niet afgedragen belastingen en /of premies sociale verzekeringen door onderaannemer.
7.1
Hierbij garandeert de onderaannemer de door hem uit te voeren werkzaamheden en/of de door hem te leveren taken, ingaande op de dag vanaf het gereedkomen van de werkzaamheden en/of levering van de zaken tot aan de oplevering van het werk door de [gedaagde] aan de opdrachtgever en in aansluiting daarop, gedurende de in het bestek genoemde onderhoudsperiode.
(…)
7.3
Bij elke betaling (…) houdt [gedaagde] , bij wijze van garantie, een bedrag van 5 % van het factuurbedrag In. Deze sommen worden vrijgegeven bij de oplevering na ontvangst van
eventuele garantiebewijzen en technische gegevens, met eventuele inhouding van de herstellingskosten voor gebreken, vergoeding voor diefstal, verlies, termijnoverschrijding, minwaarde en mingenot, dit alles volgens de bepalingen van deze overeenkomst.
2.10.
[naam bv] heeft als opdrachtgever/hoofdaannemer op 19 december 2023 een overeenkomst van aanneming gesloten met Stalumex. [9] [naam bv] heeft in het kader van die overeenkomst een voorschot van € 158.250,- aan Stalumex voldaan voor de levering (en montage) van aluminiumpuien ten behoeve van project Aureool. De levering van de puien heeft vervolgens niet plaatsgevonden.
2.11.
[gedaagde] en [naam bv] hebben op 21 februari 2024 een akte met titel ‘Overeenkomst van cessie’ getekend, Daarin staat dat [naam bv] een vordering van € 158.250,- op Stalumex verkoopt en levert aan [gedaagde] (hierna: de overeenkomst van cessie). [naam bv] heeft daarvan op eveneens 21 februari 2024 mededeling gedaan aan Stalumex. [10]
2.12.
Timcha heeft, mede namens Chatim, [gedaagde] op 27 februari 2024 bericht het ten gunste van hen gevestigde pandrecht openbaar te maken en dat [gedaagde] vanaf dat moment alleen nog bevrijdend kan betalen aan Timcha c.s. [11] . Timcha heeft daarbij aangegeven dat zij en Chatim gegronde redenen hebben om ervoor te vrezen dat Stalumex in haar verplichtingen jegens Timcha c.s. zal tekortschieten.
2.13.
Stalumex heeft op of omstreeks 28 februari 2024 aan Chatim een pandrecht verleend op onder andere de debiteurenvorderingen van Stalumex door registratie van de daartoe opgemaakte onderhandse pandakte. [12]
2.14.
Bij vonnis van 5 maart 2024 is het faillissement van Stalumex uitgesproken.
2.15.
De advocaat van [gedaagde] heeft de curator in het faillissement van Stalumex (en Stalumex in CC) in een e-mail van 24 mei 2024 als volgt bericht:
‘Bij deze deel ik u mede dat ik namens de overeenkomsten ontbind.’ [13]
3.Het geschil
3.1.
Timcha c.s. vorderen - samengevat -, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 138.392,80 aan Timcha c.s.,
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan Timcha c.s. van € 2.121,43 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten,
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
De grondslag van de vordering(en)
Standpunt Timcha c.s.
4.1.
Timcha c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij vanwege de door Stalumex aan hen verleende pandrechten gerechtigd zijn tot inning van de vorderingen van Stalumex op [gedaagde] op grond van de overeenkomsten ter zake van de projecten Berg en Terblijt en Victoria Voerendaal. Er zijn volgens Timcha c.s. facturen/rekeningen die zien op de werkzaamheden van Stalumex binnen die projecten ten onrechte onbetaald gebleven. [gedaagde] is volgens Timcha c.s. nog een bedrag van € 68.182,80 voor project Berg en Terblijt en een bedrag van € 70.210,- voor project Victoria Voerendaal aan Stalumex verschuldigd. Het bedrag van € 68.182,80 is door Timcha c.s. gebaseerd op onbetaald gelaten facturen. Het bedrag van € 70.210,- is door Timcha c.s. gebaseerd op een schatting van de waarde van het uitgevoerde deel van het overeengekomen werk (door de projectleider/uitvoerder van Stalumex, de heer [naam] ).
Standpunt [gedaagde]
4.2.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat sprake is van een verpandingsverbod ten aanzien van eventuele vorderingen van Stalumex op [gedaagde] en dat Timcha c.s. daarom niet inningsbevoegd zijn. Voor zover al sprake is van inningsbevoegdheid, geldt dat volgens [gedaagde] bovendien slechts voor Timcha als eerste pandhouder.
Indien zou worden geoordeeld dat sprake is van inningsbevoegdheid doet [gedaagde] een beroep op verrekening. [gedaagde] voert daartoe aan dat zij nog een vordering op Stalumex heeft en dat deze vordering voor verrekening met een eventueel nog door haar aan Stalumex verschuldigd bedrag vatbaar is. Haar vordering op Stalumex baseert zij deels op een door [naam bv] op Stalumex gepretendeerde vordering die op grond van de op 21 februari 2024 gesloten overeenkomst van cessie aan [gedaagde] zou zijn overgedragen. [14] [naam bv] had volgens [gedaagde] op grond van een aannemingsovereenkomst in het kader van project Aureool nog een vordering op Stalumex van € 158.250,-. Dit bedrag is door [naam bv] als voorschot voldaan ter zake van project Aureool, terwijl de levering van de puien, waar het voorschot voor bedoeld was, nooit heeft plaatsgevonden. [gedaagde] stelt daarnaast dat zij schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van Stalumex in de nakoming van de overeenkomsten, welke schade [gedaagde] ook stelt te kunnen verrekenen.
[gedaagde] betwist verder de omvang van de volgens Timcha c.s. verschuldigde bedragen. Zij voert daartoe aan dat deze bedragen niet controleerbaar zijn bij gebreke aan verifieerbare facturatiebonnen. Er zijn wat betreft project Berg en Terblijt uitsluitend facturen voorhanden, terwijl Stalumex contractueel gehouden was tot indiening van facturatiebonnen. Zonder dergelijke bonnen is moeilijk te achterhalen welke werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. Wat betreft project Victoria Voerendaal zijn geen facturen overgelegd en het bedrag van € 70.210,- is slechts gebaseerd op een schatting van de stand van het werk. [gedaagde] heeft bovendien al een bedrag van € 60.600,- betaald ter zake van project Victoria Voerendaal. Het is [gedaagde] naar eigen zeggen onduidelijk in hoeverre Timcha c.s. met deze betaling rekening hebben gehouden.
Het recht op betaling van de facturen is bovendien afhankelijk van de vraag in hoeverre Stalumex nog gehouden is tot afdracht van sociale premies waar [gedaagde] mogelijk aansprakelijk voor kan worden gehouden, aldus [gedaagde] .
Verder is volgens [gedaagde] ten onrechte bij het bepalen van de omvang van de door Timcha c.s. gevorderde bedragen geen rekening gehouden met de tussen [gedaagde] en Stalumex overeengekomen garantietermijnen. [gedaagde] beroept zich in dat verband op haar opschortingsrecht dan wel op verrekening.
Oordeel rechtbank
Pandrechten / inningsbevoegd?
4.3.
[gedaagde] baseert haar meest verstrekkende verweer, dat Timcha (en Chatim) niet inningsbevoegd zijn, op het verpandingsverbod zoals dit is neergelegd in artikel 2.6 van de algemene voorwaarden van [gedaagde] [15] . De inhoud van dit artikel staat volgens [gedaagde] aan een rechtsgeldige verpanding in de weg (art. 3:228 BWPro). Timcha c.s. betwisten dat het verpandingsverbod in art. 2.6 van de algemene voorwaarden goederenrechtelijke werking heeft. Verder geldt volgens Timcha c.s. op grond van de Wet opheffing verpandingsverboden dat bestaande verpandingsverboden per 1 oktober 2025 nietig zijn.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de per 1 juli 2025 in werking getreden Wet opheffing verpandingsverboden niet van invloed is op deze zaak. Deze wet is slechts van invloed op de verpanding van vorderingen vanaf 1 oktober 2025 [16] en de gestelde vorderingen in deze zaak zijn reeds eerder verpand. Bij de beantwoording van de vraag of het in artikel 2.6. opgenomen verpandingsverbod goederenrechtelijke werking heeft geldt het volgende. Als uitgangspunt geldt dat een contractueel beding waarin verpanding is uitgesloten alleen verbintenisrechtelijke werking heeft. Dit is slechts anders indien uit de naar objectieve maatstaven uit te leggen formulering blijkt dat met de uitsluiting van de verpanding tevens goederenrechtelijke werking, als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BWPro, is beoogd. [17] Een formulering met die strekking is in deze zaak niet gebruikt. [18] Er is dus geen aanleiding om ervan uit te gaan dat van de hoofregel – een contractueel verpandingsverbond heeft slechts verbintenisrechtelijke werking – is afgeweken. De verpanding is daarom rechtsgelding geschied.
Gevolgen verpanding in strijd met verbintenisrechtelijk verpandingsverbod?
4.5.
Timcha c.s. hebben volgens [gedaagde] , indien ervan wordt uitgegaan dat het verpandingsverbod geen goederenrechtelijke werking heeft, onrechtmatig gehandeld door te profiteren van de door Stalumex gepleegde wanprestatie door vorderingen op [gedaagde] te verpanden ondanks het overeengekomen verbod daartoe. Timcha c.s. wisten immers van het bestaan van het door [gedaagde] gehanteerde verpandingsverbod, aldus [gedaagde] .
Voor zover [gedaagde] betoogt dat Timcha c.s. om die reden niet inningsbevoegd zouden zijn, hebben zij onvoldoende onderbouwd op welke gronden de strijdigheid met het verbintenisrechtelijke verpandingsverbod de inningsbevoegdheid van Timcha c.s. zou aantasten. Daarbij merkt de rechtbank op dat er voor [gedaagde] als schuldenaar van de vordering materieel niets is veranderd. Zij was en bleef schuldenaar van een eventuele vordering van Stalumex, die bij niet verpanding zou kunnen worden geïnd door (de curator van) Stalumex.
Voor zover in dit verband door [gedaagde] wordt gedoeld op het, volgens haar, in zicht van het faillissement paulianeus vestigen van de pandrechten door Timcha c.s., betreft het een verwijt dat niets te maken heeft met het verpandingsverbod, zodat zonder verdere toelichting – die ontbreekt – van de relevantie van die stellingen in dit kader niet is gebleken. Ook hier geldt dat een eventueel geslaagd beroep op pauliana (door of namens de schuldeisers van Stalumex) op zichzelf niets zou afdoen aan een eventueel schuldenaarschap van [gedaagde] .
Rangorde Timcha en Chatim
4.6.
[gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat alleen Timcha als eerste pandhouder inningsbevoegd is ten aanzien van een mogelijk vordering van Stalumex op [gedaagde] (artikel 3:246 lid 3 BWPro). Dit betekent dat de vordering van Chatim bij eindvonnis zal worden afgewezen, tenzij voordien niet alleen blijkt dat Stalumex een vordering op [gedaagde] heeft maar ook dat Timcha (anderszins) volledig is voldaan en Chatim door opschuiving eerste pandhouder is geworden. Chatim zal zich daar desgewenst over mogen uitlaten voordat eindvonnis wordt gewezen.
Verrekening vordering Stalumex met vordering [naam bv] ?
4.7.
Timcha c.s. betwisten dat ten tijde van het opmaken van de akte van cessie – op 21 februari 2024 - sprake was van een voor cessie vatbare vordering van [naam bv] op Stalumex, zodat een dergelijke vordering ook niet aan [gedaagde] kon zijn gecedeerd en deze daarom in zoverre geen beroep op verrekening toekomt.
4.8.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat haar wel degelijk een beroep op verrekening toekomt. De vordering is volgens haar op 21 februari 2024 door [naam bv] aan haar gecedeerd, waarbij zij opmerkt dat ook een toekomstige vordering onder omstandigheden voor cessie vatbaar is.
4.9.
De rechtbank stelt met betrekking tot de cessie het volgende vast. [naam bv] heeft op 19 december 2023 een overeenkomst van aanneming gesloten met Stalumex ter zake van de montage en levering van aluminium puien ten behoeve van project Aureool. [naam bv] heeft in het kader van die overeenkomst een voorschot van € 158.250,- aan Stalumex betaald. De levering van de puien heeft echter niet plaatsgevonden.
De enkele omstandigheid dat de levering van de puien (nog) niet had plaatsgevonden ten tijde van het opmaken van de akte van cessie (21 februari 2024) brengt op zichzelf niet met zich mee dat [naam bv] op dat moment een vordering op Stalumex had. [naam bv] had op dat moment de ontbinding van de overeenkomst met Stalumex nog niet ingeroepen of anderszins actie ondernomen die zou kunnen leiden tot een aanspraak op dat moment. Derhalve is niet gebleken van een op 21 februari 2024 bestaande vordering die kon worden overgedragen aan [gedaagde] en door [gedaagde] verrekend kan worden met een eventuele vordering van Stalumex.
Als wordt aangenomen dat met de akte van cessie (ook) de vorderingen aan [gedaagde] zijn gecedeerd die het gevolg zijn van of kunnen voortvloeien uit de latere ontbinding van de overeenkomst tussen Stalumex en [naam bv] , kan dat er niet toe leiden dat [gedaagde] die vordering kan verrekenen met een eventuele vordering van Stalumex. De in dat geval aan [gedaagde] overgedragen vordering is alsdan immers op z'n vroegst ontstaan met de ontbinding, die plaatsvond op 24 mei 2024 [19] en dus na het faillissement van Stalumex. Een na het faillissement van Stalumex ontstane vordering kan op grond van artikel 53 vanPro de Faillissementswet (hierna: Fw) niet in een verrekening worden betrokken. Nu het beroep op verrekening reeds hierop afstuit, kan het antwoord op de vraag of [gedaagde] bij het tekenen van de akte van cessie al dan niet te goede trouw was in het midden blijven (artikel 54 FwPro).
Keten- en inlenersaansprakelijkheid
4.10.
[gedaagde] beroept zich op het recht op opschorting van haar eventuele verplichtingen dan wel verrekening met de vorderingen van Timcha c.s. [gedaagde] verwijst in dat verband naar artikel 4.3. en artikel 4.8. [20] van haar algemene voorwaarden. Het is volgens haar aannemelijk dat Stalumex aan [gedaagde] werklieden ter beschikking heeft gesteld en werkzaamheden heeft laten verrichten waar geen belasting en premies voor zijn afgedragen. Het beroep op opschorting ziet kennelijk op de mogelijke aanspraken van de belastingdienst op [gedaagde] op grond van keten- en/of inlenersaansprakelijkheid die in de verhouding tot Stalumex voor rekening van laatstgenoemde moeten komen.
4.11.
Timcha c.s. hebben onweersproken gesteld dat [gedaagde] niet kan worden aangesproken op grond van de WKA daar waar het de inzet van werknemers ten behoeve van project Berg en Terblijt en project Victoria Voerendaal betreft. Dit omdat de uitzondering op de WKA van toepassing is en [gedaagde] dus niet aansprakelijk is / kan worden gehouden. De door [gedaagde] voor deze projecten ingezette werknemers hebben namelijk voor meer dan 50% van het benodigde aantal arbeidsuren werkzaamheden verricht op de plaats waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd. [21] Project Victoria Voerendaal is gelet op de stand van het werk volledig in de werkplaats van Stalumex uitgevoerd. Alleen productie van de kozijnen heeft namelijk plaatsgevonden. Met de montage was men nog niet begonnen. Ook de tijdsbesteding voor Project Berg en Terblijt is voor meer dan de helft toe te schrijven aan werkzaamheden die op locatie bij Stalumex zijn verricht. Gelet op deze onweersproken stellingen van Timcha c.s. moet het ervoor gehouden worden dat [gedaagde] niet aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de WKA (althans dat dit niet aannemelijk is) en treft het beroep van [gedaagde] op opschorting (vooruitlopend op verrekening) van de eventuele betalingsverplichting jegens Stalumex geen doel.
Een beroep op opschorting wegens een mogelijke inlenersaansprakelijkheid van [gedaagde] kan niet worden aanvaard omdat gesteld noch gebleken is dat er werknemers in dienst van anderen aan [gedaagde] ter beschikking zijn gesteld.
4.12.
Omdat het beroep van [gedaagde] op artikel 4.8 uit haar algemene voorwaarden geen doel treft, behoeft het verweer van Timcha c.s. dat de algemene voorwaarden gelet op de ontbinding van de overeenkomst ter zake van het project Victoria Voerendaal geen toepassing meer vinden, hier geen behandeling.
Garantietermijnen
4.13.
[gedaagde] wijst erop dat artikel 7.3 van de algemene voorwaarden bepaalt dat [gedaagde] , als zekerheid voor een correcte oplevering, 5% van de aanneemsom kan inhouden op de aanneemsom. Met de garantietermijnen in de overeenkomsten van aanneming betreffende project Berg en Terblijt en project Victoria Voerendaal is door Timcha c.s. geen rekening gehouden bij het bepalen van de beweerdelijk verschuldigde bedragen, volgens [gedaagde] ten onrechte.
4.14.
Timcha c.s. wijzen erop dat [gedaagde] de ontbinding van de met Stalumex gesloten overeenkomsten heeft ingeroepen. Ten aanzien van de overeenkomst aangaande het project Victoria Voerendaal wordt de ontbindingsverklaring aanvaard. Dit betekent volgens Timcha c.s. dat [gedaagde] geen beroep meer toekomt op de algemene voorwaarden die van toepassing zijn verklaard op deze overeenkomst. [gedaagde] heeft daarop aangevoerd dat zij de overeenkomsten partieel heeft ontbonden. Dat blijkt echter niet uit de bewoordingen van de ontbindingsverklaring [22] en in de conclusie van antwoord is [gedaagde] kennelijk zelf ook uitgegaan van een gehele ontbinding van de overeenkomst [23] . De rechtbank neemt daarom aan dat de overeenkomst ten aanzien van het project Victoria Voerendeel geheel ontbonden is. [gedaagde] heeft niet weersproken dat dit tot gevolg heeft dat [gedaagde] geen beroep meer toekomt op de algemene voorwaarden die op deze overeenkomst van toepassing zijn verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] in zoverre geen beroep toekomt op de bepaling over de garantietermijnen. Of en zo ja wat [gedaagde] nog moet betalen, zal moeten worden vastgesteld aan de hand van de waarde van de door Stalumex tot aan de ontbinding geleverde prestatie verminderd met de reeds verrichte betaling en eventueel door Stalumex verschuldigde schadevergoeding (waarover hierna meer).
4.15.
Ten aanzien van overeenkomst die zag op het project Berg en Terblijt hebben Timcha c.s. gesteld dat het beroep op ontbinding van [gedaagde] niet slaagt, aangezien er geen sprake zou zijn geweest van een tekortkoming zijdens Stalumex. [gedaagde] is daar niet meer op ingegaan. Voor zover min of meer concreet is verwezen naar tekortkomingen zijdens Stalumex, is dat gebeurd in het kader van de overeenkomst ten aanzien van het project Victoria Voerendaal. Er moet dus van worden uitgegaan dat de overeenkomst die zag op het project Berg en Terblijt niet is ontbonden, wat onder meer betekent dat de algemene voorwaarden ten aanzien van die overeenkomst hun gelding hebben behouden. Daaronder valt de bepaling over de garantietermijnen, waarop [gedaagde] zich beroept.
4.16.
De inhouding van een garantietermijn is volgens Timcha c.s. niet bedoeld als een definitieve vermindering van de vorderingen. Een garantietermijn dient als zekerheid voor het afdekken van bepaalde risico's gedurende de garantieperiode, aldus Timcha c.s. Voor zover al komt vast te staan dat [gedaagde] recht heeft op inhouding van een garantietermijn, dient volgens Timcha c.s. tot uitgangspunt te worden genomen dat de schade die voortvloeit uit misgelopen garanties in faillissementssituaties doorgaans wordt vastgesteld op een percentage tussen 1% en 3% van de aanneemsom.
4.17.
Niet in geschil is dat de tussen Stalumex en [gedaagde] afgesproken garantietermijnen gelden als (gedeeltelijke) zekerheid voor eindafnemer [gedaagde] . Vast staat ook dat Stalumex eventuele garantieverplichtingen niet meer zal nakomen. Om die reden komt [gedaagde] in beginsel een recht toe op een beroep op de garantietermijn en mogelijk een aftrek op de mogelijk nog verschuldigde aanneemsom ten aanzien van het project Berg en Terblijt. Gegeven het feit dat onweersproken is gesteld dat de garantie ter zake van het hang- en sluitwerk al is verlopen zonder dat een beroep op de garantie is gedaan, geldt dat niet voor het hang- en sluitwerk. Omdat de garantie op glas en profielen van vijf jaar al een behoorlijke tijd is verstreken, kan niet zonder meer worden aangenomen dat een aftrek van vijf procent passend is. De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen zich op een nader te bepalen moment voorafgaand aan het eindvonnis onderbouwd uit te laten over het beroep dat door de eindafnemer wel of niet is gedaan op de garantie op glas en profielen en de omvang van de redelijkerwijs in acht te nemen aftrek in verband met de garantietermijn. Daarna zullen Timcha c.s. mogen reageren, waarna op dit punt verder wordt beslist.
Omvang vorderingsrecht Stalumex
Algemene opmerkingen
4.18.
Volgens Timcha c.s. heeft zij een bedrag van € 68.182,80 te vorderen ten aanzien van project Berg en Terblijt en een bedrag van € 70.210,- ten aanzien van project Victoria Voerendaal. In totaal dus € 138.392,80. Onderdeel van hun onderbouwing is een door een werknemer van Stalumex op verzoek van de curator opgemaakt Excel-overzicht over de stand van het werk. [24]
4.19.
Welke werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en dus in rekening gebracht mogen worden, valt volgens [gedaagde] niet te controleren, omdat de contractueel voorgeschreven facturatiebonnen niet voorhanden zijn. De juistheid van de bedragen van € 68.182,80 en € 70.210,- kan daarom vanwege het ontbreken van de facturatiebonnen niet worden geverifieerd. Facturatiebonnen zijn volgens [gedaagde] juist bij uitstek bedoeld om vast te leggen dat bepaalde werkzaamheden zijn uitgevoerd en dienen te worden te ondertekend. [gedaagde] verwijst in dit verband naar artikel 11 vanPro de gesloten overeenkomsten, alsmede naar art. 3.3. uit haar algemene voorwaarden. [25] Het ontbreken van de facturatiebonnen, maakt het dan ook moeilijk om te achterhalen welke werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd en als zodanig in een factuur in rekening gebracht mogen worden bij de opdrachtgever
4.20.
De rechtbank stelt voorop dat de stelling dat de werkzaamheden waar de facturen betrekking op hebben daadwerkelijk zijn verricht, ook op een andere wijze kan worden aangetoond dan enkel met facturatiebonnen. Het (deels) niet beschikbaar zijn van de facturatiebonnen hoeft daaraan dus niet zonder meer in de weg te staan. Door [gedaagde] werd ter zitting ook onderkend dat het wel erg rigide zou zijn om eraan vast te houden dat alleen door middel van facturatiebonnen zou kunnen worden aangetoond dat de werkzaamheden waar de facturen op zien daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Project Berg en Terblijt
4.21.
Volgens Timcha c.s. volgt uit het commentaar van [gedaagde] op het door hen als productie 15 overgelegde Excel-overzicht dat de facturen door [gedaagde] zijn erkend. Blijkens die productie heeft [gedaagde] namelijk als commentaar bij het bedrag van € 68.182,80 gezet ‘volgens facturen akkoord’. [gedaagde] betwist dat in deze opmerking een erkenning van de aanspraak van Timcha c.s./Stalumex kan worden gelezen. Daaruit zou slechts kunnen worden afgeleid dat [gedaagde] bevestigt dat de in het overzicht vermelde bedragen ten aanzien van dit project overeenkomen met de verzonden facturen.
4.22.
De rechtbank is met het [gedaagde] eens dat de enkele opmerking bij het Excel-overzicht niet tot de conclusie kan leiden dat [gedaagde] het vorderingsrecht van Stalumex tot het daarin vermelde bedrag heeft erkend. De gebruikte bewoordingen kunnen namelijk ook passen bij de uitleg die [gedaagde] er aan geeft.
4.23.
Dit betekent dat op een andere wijze moet worden vastgesteld wat [gedaagde] verschuldigd is. Het verweer van [gedaagde] komt er, kort gezegd, op neer dat zij de juistheid van het door Timcha c.s./Stalumex opgevoerde bedrag niet kan verifiëren, (mede) bij gebreke van de facturatiebonnen. Op het niveau van de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, is het debat in deze procedure nog niet gevoerd. De rechtbank zal Timcha c.s., op wie de bewijslast rust van de omvang van haar vordering, daarom in de gelegenheid stellen om het gevorderde bedrag bij akte nader te onderbouwen, voor zoveel mogelijk onder bijvoeging van bewijsstukken. Timcha c.s. zullen daarbij ook moeten aangeven of zij nog aanvullend bewijs wensen te leveren, en zo ja waaruit dat dan bestaat. [gedaagde] zal op haar beurt in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.
Project Victoria Voerendaal
4.24.
Het ten behoeve van project Victoria Voerendaal volgens Timcha c.s. verschuldigde bedrag van € 70.210,- is gebaseerd op een schatting van de stand van het werk in het al eerder aangehaalde Excel-overzicht. Deze schatting wordt door [gedaagde] betwist, wederom stellende dat deze door haar niet te verifiëren is. Voor de verdere beoordeling van deze vordering geldt hetzelfde als hiervoor onder rov. 4.23. is overwogen over de vordering ten aanzien van het project Berg en Terblijt. Partijen zullen daarom op dezelfde wijze in de gelegenheid worden gesteld om zich nader uit te laten over het door Timcha c.s. te leveren bewijs.
(Omvang) schade als gevolg van niet (ten volle) nakomen door Stalumex
4.25.
[gedaagde] wenst een eventuele betalingsplicht jegens Timcha c.s. , naar de rechtbank begrijpt, te verrekenen met de schade die zij heeft geleden als gevolg van het tekortschieten door Stalumex bij de uitvoering van de overeenkomsten, bestaande uit kosten die zij zelf heeft moeten maken maar voor rekening hadden moeten komen van Stalumex.
4.26.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] een opstelling gepresenteerd van de schade die [naam bv] zou hebben geleden als gevolg van het feit dat Stalumex haar verplichtingen in verband met het project Aureool niet is nagekomen. [gedaagde] kan een eventuele vordering van [naam bv] op Stalumex echter niet verrekenen met een vordering van Stalumex op haar. Hiervoor is al overwogen dat dit ook niet kan als die vordering middels de akte van cessie van 21 februari 2024 is gecedeerd aan [gedaagde] .
4.27.
Niet is betwist dat project Berg en Terblijt voorafgaand aan het faillissement van Stalumex volledig was afgerond en hiervoor is al vastgesteld dat als vaststaand moet worden aangenomen dat Stalumex niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst ter zake van dit project [26] . Een eventueel in een verrekening te betrekken schadevergoedingsvordering van [gedaagde] kan dus niet zien op het project Berg en Terblijt.
4.28.
Met betrekking tot het niet volledig nakomen van de levering en het monteren van de puien waar de overeenkomst ter zake van project Victoria Voerendaal op ziet, worden door [gedaagde] een aantal schadeposten (additionele kosten) opgevoerd. Het zou gaan om de navolgende schadeposten [27] :
correctie op montage uren niet uitgevoerd € 17.160,-
correctie op glas niet betaald door Stalumex € 15.778,-
extra kosten fasering door levering diverse leveranciers € 6.800,-
duurdere aankoop vliesgevel
Totaal € 49.738,-
[gedaagde] biedt bewijs aan van haar stelling dat voormelde kosten een bedrag van € 49.738,- belopen, onder meer door overlegging van haar projectadministratie en een verklaring van de registeraccountant.
[gedaagde] wenst, naar de rechtbank begrijpt, verder de kosten aangemerkt als ‘kosten Stalufort’, ad € 3.748,- als zijnde door [gedaagde] geleden schade als gevolg van het door Stalumex niet nakomen van haar contractuele verplichtingen, te verrekenen. Deze kosten zien volgens [gedaagde] op een door Stalumex niet geleverde elektrische deurdrangconstructie. Niet gesteld is echter op welk project deze kosten zien. [gedaagde] zal daarover duidelijkheid dienen te verstrekken.
4.29.
De schadeposten die [gedaagde] opvoert zijn voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht en niet van bewijsstukken voorzien. De bewijslast van het bestaan van deze kosten rust op [gedaagde] . Zij zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om het gevorderde bedrag bij akte nader te onderbouwen, voor zoveel mogelijk onder bijvoeging van bewijsstukken. Ten aanzien van de post ‘kosten Stalufort’ zal [gedaagde] zoals gezegd eveneens dienen aan te geven op welk project deze ziet. Zij zal, in het algemeen, verder moeten aangeven of zij nog aanvullend bewijs wenst te leveren, en zo ja waaruit dat dan bestaat. Timcha c.s. zullen op hun beurt in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.
Tot slot
4.30.
In afwachting van de aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Een verwijzing naar de rol voor de uitlatingen als bedoeld in rov. 4.6. en 4.17. zal op een later moment plaatsvinden
5.De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 28 januari 2026voor akte aan de zijde van Timcha c.s. conform rov. 4.23. en 4.24 en verstaat dat [gedaagde] vier weken daarna bij antwoordakte dient te reageren,
5.2.
verwijst de zaak naar de rol van 28 januari 2026voor akte aan de zijde van [gedaagde] conform rov. 4.29. en verstaat dat Timcha c.s. vier weken daarna bij antwoordakte dienen te reageren,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.