ECLI:NL:RBLIM:2025:13164

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/03/346230 / HA RK 25-170
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van rechter op basis van EU-recht zonder objectieve gronden

In deze zaak heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Limburg op 27 oktober 2025 een verzoek tot wraking van mr. C. Drent, rechter in de rechtbank Limburg, ongegrond verklaard. Het verzoek werd ingediend door een verzoeker die betrokken was bij een bestuursrechtelijke zaak. De wrakingsgrond was gebaseerd op EU-recht, waarbij de verzoeker stelde dat Nederlandse rechters het EU-recht niet of onvoldoende toepassen. De wrakingskamer oordeelde dat de verzoeker geen feiten of omstandigheden had aangedragen die de onpartijdigheid van de rechter in twijfel trokken. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dat tegenspreken. De verzoeker had in korte tijd in drie verschillende zaken een wrakingsverzoek ingediend, gebaseerd op hetzelfde stuk, wat door de wrakingskamer als obstructief werd beschouwd. De wrakingskamer besloot dat toekomstige verzoeken tot wraking, die gebaseerd zijn op hetzelfde betoog zonder relevante feiten of omstandigheden, niet in behandeling zullen worden genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/346230 / HA RK 25-170
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. C. Drent, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

Op 15 oktober 2025 bij de aanvang van de zitting in de bestuursrechtelijke zaak met nummer ROE 24/ 1489 tussen [verzoeker] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] als eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep als verweerder, is door een van de eisers, door de rechtbank aangemerkt als correspondent in de zaak, een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt waaruit blijkt dat verzoeker de gronden van het verzoek tot wraking schriftelijk heeft overgelegd.

2.De beoordeling

Op grond van artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Verzoeker voert als grondslag voor zijn verzoek EU-recht, EU-regelingen en jurisprudentie aan en stelt dat het EU-recht door de Nederlandse rechters niet of onvoldoende wordt gehanteerd en toegepast. Deze handelwijze vraagt, zo verwoordt verzoeker in zijn schriftelijk stuk, om verregaande maatregelen.
De wrakingskamer merkt op dat verzoeker de rechter direct na aanvang van de zitting heeft gewraakt. In artikel 8:15 van de Awb is bepaald dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen die de zaak behandelt. Verzoeker wraakt de rechter zonder daarvoor feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit, op welke wijze ook, volgt dat de behandelend rechter in die zaak vooringenomen is dan wel dat er objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestaat. Wat verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag legt, kan dan ook geen grond voor wraking van de rechter opleveren.
De wrakingskamer is daarom van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is. De mondelinge behandeling kan om die reden achterwege blijven.
Verzoeker heeft in acht weken tijd in drie verschillende zaken een wrakingsverzoek ingediend, gebaseerd op hetzelfde stuk dat verwijst naar EU-recht, EU-regelingen en jurisprudentie. Verzoekers stuk is een verzameling van regels en jurisprudentie zonder dat er sprake is van een duidelijk betoog dat op enigerlei wijze in dit kader relevant is. Het feit dat de rechter uit de tweede zaak waarin verzoeker heeft gewraakt nog vermeld staat in het stuk dat in onderhavige zaak is overgelegd, lijkt erop te wijzen dat het stuk met knippen en plakken is samengesteld. Opvallend daaraan is dat het in de tweede zaak om een volstrekt andere procedure ging [1] .
De wrakingskamer is van oordeel dat de gevolgde handelwijze van verzoeker obstructief is en geen enkel ander doel dient dan het opzettelijk tegenwerken van de procesvoering. Verzoeker hanteert deze werkwijze in zijn persoonlijke zaken, maar ook als gemachtigde voor anderen. De wrakingskamer ziet daarin aanleiding om, ondanks dat het om een eerste verzoek in de behandeling van deze zaak gaat, misbruik van recht aan te nemen. Mocht verzoeker opnieuw wraken met gebruikmaking van hetzelfde betoog zonder feiten of omstandigheden aan te voeren die de rechter betreffen, zal zijn verzoek niet ontvankelijk worden verklaard en buiten behandeling blijven.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
- bepaalt dat volgende verzoeken tot wraking, gebaseerd op hetzelfde betoog zonder feiten of omstandigheden aan te voeren die de rechter betreffen, niet in behandeling zullen worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door H.M.J. Quaedvlieg, mr. R.H.J. Otto en
mr. R.M.M. Kleijkers, bijgestaan door de griffier mr. M.J.W.D. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 13 oktober 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:10212.