ECLI:NL:RBLIM:2025:12670

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/3049
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet

Op 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in de zaak tussen verzoekster en de burgemeester van de gemeente Kerkrade. Verzoekster had een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van de burgemeester om haar woning voor 52 weken te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten, omdat er een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs in de woning was aangetroffen. De voorzieningenrechter concludeerde dat de sluiting noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving en het herstel van de openbare orde. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig waren in verhouding tot de doelen die de burgemeester had gesteld. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de burgemeester kon overgaan tot sluiting van de woning. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van de burgemeester in het kader van de Opiumwet en de afwegingen die gemaakt moeten worden bij het sluiten van een woning.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2955

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 in de zaak tussen

[naam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman),
en

de burgemeester van de gemeente Kerkrade

(gemachtigden: B.J.M. Schmeets en C.M.C. Dodemont).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekster voor de duur van 52 weken op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester en verzocht om een voorlopige voorziening, in afwachting van de beslissing van de burgemeester op haar bezwaar. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 december 2025 heeft de burgemeester bepaald dat de woning van verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet moet worden gesloten voor de duur van 52 weken met ingang van 9 december 2025 tot en met
7 december 2026.
2.1.
Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft per e-mailbericht van 4 december 2025 laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.3.
De burgemeester heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
4. Dit oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Als verzoekster het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoekster daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.

Waar gaat deze zaak over?

5. Verzoekster huurt de woning van Stichting Wonen Limburg. Feitelijk bewoont zij deze woning met haar partner. De burgemeester heeft op 7 november 2025 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat op 29 oktober 2025 in de woning en in de bijbehorende garagebox een handelshoeveelheid verdovende middelen (harddrugs en softdrugs) werden aangetroffen. Zowel verzoekster als haar partner zijn als verdachte aangehouden en verhoord.
In de woning werd het volgende aangetroffen:
  • 125,96 gram Opiaten (harddrugs als bedoeld in Lijst I van de Opiumwet);
  • 7 gram hennep;
  • vijf telefoons;
  • 365 euro cash;
  • een pan met een doorzichtige stroperige substantie.
In de garagebox werd het volgende aangetroffen:
  • 40,9 gram en twee flesjes Opiaten (harddrugs als bedoeld in Lijst 1 van de Opiumwet);
  • 398 gram hennep;
  • 615 Lactose pillen (versnijdingsmiddel);
  • 605 Lactose Maizena pillen (versnijdingsmiddel);
  • 13,249 gram Ketamine
  • 84 pillen Methadon
  • plastic tas vol met medicijnen.
5.1.
De burgemeester heeft op 7 november 2025 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van 52 weken toegezonden en verzoekster in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door een mail te sturen op 18 november 2025. Naar aanleiding van deze zienswijze is met betrekking tot de garagebox navraag gedaan bij de eigenaar Wonen Limburg over de formele huurder en werd de burgemeester geïnformeerd dat [naam] de huurder is. Op 27 november 2025 heeft [naam] een mondelinge zienswijze ingediend. De burgemeester heeft in de zienswijzen geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken.
5.2.
De burgemeester heeft op 9 december 2025 de garagebox gesloten voor de duur van 52 weken.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
6. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6.1.
Gelet op het feit dat verzoekster de woning in het geval van sluiting daarvan zal moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De burgemeester heeft dit ook niet betwist. De zaak zal dan ook verder inhoudelijk worden beoordeeld.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
7. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
7.1.
Verzoekster voert aan dat de burgemeester niet bevoegd is om haar woning te sluiten, omdat het overgrote deel van de aangetroffen goederen in de garagebox werd aangetroffen en niet in de woning. De hennep in de woning was voor eigen gebruik. Een NFI-test ontbreekt, zodat niet zeker is of het gaat om harddrugs. Verzoekster heeft geen huurovereenkomst met betrekking tot de garagebox, maakt daar geen gebruik van en heeft geen wetenschap en beschikkingsmacht over goederen die daar zijn aangetroffen.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 31 juli 2019 [1] , heeft overwogen, geldt in het bestuursrecht een andere bewijslast dan in het strafrecht en kan in het bestuursrecht gebruik worden gemaakt van een indicatieve test.
7.3.
Niet alleen in de garagebox, maar ook in de woning is volgens de bestuurlijke rapportage een grote hoeveelheid aan Opiaten (125,96 gram) aangetroffen. Daarnaast is 7 gram hennep, een pan met een stroperige substantie een jerrycan met chemicaliën (2,5 liter), meerdere telefoons en € 365 contant geld aangetroffen. Dat betekent dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan de voorwaarden van artikel 13b van de Opiumwet is voldaan en dat de burgemeester daarom in beginsel bevoegd is om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet. Verder is gebleken uit waarnemingen van de politie ter plaatse en uit overlastmeldingen dat er sprake is van loop naar het pand.
De evenredigheidsbeoordeling
8. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling. Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019 [2] , 6 juli 2022 [3] en 16 juli 2025. [4] Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Geschiktheid
9. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet
redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend.
9.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tijdsverloop tussen het aantreffen van de verdovende middelen en het besluit niet zodanig is geweest dat dit redelijkerwijs geen geschikt middel zou zijn om de doelen te kunnen bereiken die met een dergelijke sluiting worden gediend.
Noodzaak
10. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang, waaronder de aard en hoeveelheid aangetroffen drugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning zijn verhandeld, of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprak is geweest van drugsovertredingen en of aannemelijk is dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel. [5]
10.1.
Verzoekster voert aan dat de noodzaak om de garagebox te sluiten niet dient te leiden tot sluiting van een huurwoning, nu de noodzaak daartoe ontbreekt. Dat de burgemeester de garagebox dient te sluiten gelet op de aangetroffen goederen behoeft geen betoog, maar de huurwoning behoeft nadere motivering en zorgvuldige besluitvorming en die ontbreekt. Indien de burgemeester in de besluitvorming van de juiste feiten was uitgegaan en een splitsing had gemaakt tussen hetgeen in de huurwoning en de garagebox was aangetroffen, dan had er een zorgvuldige besluitvorming kunnen plaatsvinden en had op basis daarvan een afweging gemaakt kunnen worden omtrent de wel of niet te treffen maatregelen en de zwaarte daarvan.
10.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving en het herstel van de openbare orde. De burgemeester heeft er daarbij terecht op gewezen dat een grote hoeveelheid harddrugs is aangetroffen in de woning. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [6] volgt namelijk dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. De in de woning van verzoekster aangetroffen hoeveelheid harddrugs is een (ruime) handelshoeveelheid. Dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel levert op zichzelf al een belang op bij sluiting. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat de burgemeester heeft toegelicht dat er naast de aangetroffen verdovende middelen, vele meldingen bij bekend zijn met betrekking tot het pand. Er zijn zowel bij de zorgconsulenten van de gemeente, de woningstichting als bij de politie meldingen gemaakt over het pand door omwonenden. Omwonenden voelen zich onveilig door de loop van en naar het pand. Het pand staat bij omwonenden derhalve bekend als drugspand. Het woon- en leefklimaat in de nabijheid van het pand staat ernstig onder druk. Daarnaast is door politie daadwerkelijk geconstateerd dat er sprake is van loop van en naar het pand. Woningsluiting is dan noodzakelijk en, zoals hierboven al vermeld, een geschikt middel om de woning aan het drugscircuit te onttrekken.
Evenwichtigheid
11. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. [7] Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Wel dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. [8]
11.1.
Verzoekster voert aan dat ze geen wetenschap had van en geen beschikkingsmacht over de aangetroffen middelen in haar woning. Zoals uit de bestuurlijke rapportage blijkt is de verdenking in het geheel niet gericht op verzoekster. Verzoekster was niet op de hoogte van de aanwezigheid van de harddrugs en kon dat ook niet zijn. De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting naar voren gebracht dat uit de bestuurlijke rapportage niet volgt waar in de keuken de 125,96 gram Opiaten zijn aangetroffen. Als haar al een verwijt kon worden gemaakt, dan is dat een beperkt verwijt dat zij achteraf niet voldoende toezicht heeft gehouden. Wanneer verzoekster noodgedwongen een particuliere huurwoning moet zoeken, nu zij niet meer in aanmerking komt voor een sociale huurwoning, dan is aannemelijk dat ze geen woning kan huren waar ook een aparte slaapkamer waar haar minderjarige kind kan verblijven en overnachten. De burgemeester heeft in geen enkel opzicht rekenschap gegeven van de belangen van verzoekster en haar minderjarige kind bij continuering van hun gezinsleven.
-
Verwijtbaarheid
11.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester terecht verwijtbaarheid aan de zijde van verzoekster heeft aangenomen. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan tot gevolg hebben dat de burgemeester redelijkerwijs niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik mag maken. Dat daarvan sprake is, heeft de burgemeester terecht niet aannemelijk geacht. Verzoekster is huurder van de woning en woont er zelf. Er zijn geen feiten of omstandigheden (concreet gemaakt) die erop wijzen dat de harddrugs niet van verzoekster waren of dat verzoekster niet op de hoogte was (of redelijkerwijs kon zijn) van de aanwezigheid van de drugs in haar woning. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de verdovende middelen in de keuken lagen. Wel is van belang op welke plek de verdovende middelen zijn aangetroffen in de keuken. De burgemeester kan deze informatie nog opvragen bij de politie en opnemen in de nog te nemen beslissing op bezwaar. Dat dit op dit moment nog niet duidelijk is, is geen aanleiding om de beslissing te schorsen. Want uit de rapportage volgt verder dat uit waarnemingen van politie ter plaatse en uit overlastmeldingen dat er sprake is van veel loop naar het pand. Dat zijn feiten en omstandigheden waardoor het niet aannemelijk is dat verzoekster niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs in haar woning. Ook is verzoekster verhoord als verdachte. Dat verzoekster in vrijheid is gesteld, en haar partner nog niet, betekent niet dat haar geen verwijt treft en ook niet dat de burgemeester van de sluiting had moeten afzien. [9]
-
Binding met de woning en minderjarig kind
11.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gebleken is van een bijzondere binding en afhankelijkheid van de woning. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat de burgemeester heeft toegelicht dat het juist niet in het belang van het minderjarige kind is om in een onveilige woning te verblijven, dan wel in een woning waar drugs aanwezig zijn of worden verhandeld. Daarnaast heeft de burgemeester er terecht op gewezen dat het minderjarige kind niet op straat komt te staan, nu hij bij de grootouders verblijft en een omgangsregeling met verzoekster heeft. Dat door de woningsluiting het minderjarig kind niet meer bij verzoekster in de woning kan verblijven heeft inderdaad tot gevolg dat er een inbreuk wordt gemaakt op het gezinsleven. Maar gelet op de noodzaak om de woning te sluiten, moet deze inbreuk gerechtvaardigd worden geacht.
-
Ontbinding van de huurovereenkomst
11.4.
Of de bewoner na de sluiting van de woning weer van de woning gebruik kan maken, moet door de burgemeester worden meegewogen in het kader van de evenwichtigheid van het besluit tot sluiting van de woning. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster niet onderbouwd heeft dat het voor haar (financieel) niet mogelijk is om (tijdelijk) vervangende woonruimte te vinden. Dat verzoekster mogelijk op een zwarte lijst komt te staan bij de woningbouwvereniging, betekent niet dat verzoekster geen vervangende woonruimte kan vinden en dakloos wordt. De burgemeester heeft erop gewezen dat verzoekster zich voor hulp kan wenden tot het algemeen maatschappelijk werk Impuls Kerkrade en dat het anders ook mogelijk is om tijdelijk te verblijven in een crisisopvang in de buurt van Kerkrade.
11.5.
Gelet op het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zoals de burgemeester die aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. De burgemeester mag daarom de woning voor 52 weken sluiten.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat de burgemeester kan overgaan tot sluiting van de woning. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling van verzoekster bestaat geen aanleiding
.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 december 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS:2019:2625, onder 4.3.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (rechtsoverweging 10 en 10.2).
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (rechtsoverweging 11 e.v.).
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3262 (rechtsoverweging 6.2).
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1162 (rechtsoverweging 6.3).