2.1.Algemeen
(…)
Wettelijk kader schietsport
In dit hoofdstuk wordt onder meer uiteengezet binnen welke kaders een schietvereniging of een individu een verlof kan krijgen ten einde de schietsport te kunnen beoefenen. In artikel 28, tweede lid, van de WMM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens de afwijking voor leden van een schietvereniging.
In artikel 7 WMM staan de algemene gronden genoemd die leiden tot afwijzing van de verlofaanvraag. Dit is het geval wanneer:
a. de aanvrager niet de door Onze Minister bij regeling vastgestelde gegevens en bescheiden heeft overgelegd;
b. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;
c. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt;
of
d. wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen bestaan.
In artikel 26, vierde lid, van de WWM is opgenomen dat Onze Minister ten aanzien van de personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de WWM regels kan vaststellen met betrekking tot:
a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens;
b. de vereiste kennis op het terrein van wapens; en
c. het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben.
Deze regels zijn, zover voor de schietsport van belang, in artikel 43 en 43a van de RWM uitgewerkt. Wanneer een schietvereniging of een individueel persoon een verlofaanvraag doet in het kader van het beoefenen van de schietsport, is bovenstaande wettelijke kader van belang. Binnen dit kader wordt afgewogen of iemand in aanmerking komt voor een verlof. Hieronder wordt uiteengezet hoe aan dit kader in de praktijk invulling dient te worden gegeven.
Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid
Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Hiervoor moet sprake zijn van een zogenoemd redelijk belang om wapens en munitie voorhanden te hebben. Dit is verder uitgewerkt onder het kopje redelijk belang en onder het kopje erkende en gereglementeerde takken van schietsport.
Daarnaast mag er tegen de aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie geen vrees voor misbruik bestaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf B/1.2. In het geval de aanvrager een schietvereniging is mag er behalve jegens de vereniging, ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders geen vrees voor misbruik bestaan. Van een wapenverlofhouder en een schietvereniging wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende (wapen)wettelijke regels en deze stipt volgt.
De wapens waarmee en de schietbaan of schietterrein waarop geschoten wordt, moeten geschikt zijn om op een veilige wijze de schietsport te beoefenen. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is een uitwerking van het wettelijk criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid mag vormen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Bepaalde wapens zijn voor iedere discipline te gevaarlijk om te schieten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf B2.7.
De wapens moeten zowel door een schutter met een privé verlof als een schietvereniging op een veilige wijze worden opgeborgen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk B 8.
Het belang van de openbare orde en veiligheid van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm vereist een adequaat overheidstoezicht op de wijze waarop verlofhouders met wapens omgaan. Het lidmaatschap van een vereniging is een passend en proportioneel middel om concreet gestalte te geven aan dit toezicht. Aan schietsportverenigingen worden derhalve eisen gesteld om te waarborgen dat er toezicht wordt gehouden op de wijze waarop individuele leden met hun wapens omgaan. Een schietsport vereniging respectievelijk een vereniging waar traditioneel schieten wordt beoefend moet om die reden door de KNSA respectievelijk de KNTS zijn gecertificeerd. Deze certificering draagt er toe bij dat het schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend en een sportschutter c.q. traditioneel schutter geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde en veiligheid kan vormen. De certificering wordt hierna nog nader toegelicht. Schieten buiten een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietvereniging is in het kader van de openbare orde en veiligheid ongewenst. Er zijn drie mogelijkheden voor een vereniging om gecertificeerd te worden. In de eerste plaats kan een vereniging lid zijn van de KNSA. In dat geval bestaat de mogelijkheid om binnen het KNSA-verband een vorm van de daar geldende certificering te verkrijgen. Binnen de KNSA zijn 2 certificaten mogelijk: de zogenoemde basiscertificering die voldoet aan de certificering die is voorgeschreven door de Minister, en de certificering met één kroon voor verenigingen die voldoen aan aanvullende kwaliteitseisen die door de KNSA zelf zijn gesteld. Een tweede mogelijkheid is dat een vereniging waar traditioneel wordt geschoten, lid kan worden van de KNTS en daar gecertificeerd wordt. Als laatste kan een vereniging op haar verzoek gecertificeerd worden door de KNSA zonder lid te zijn van de KNSA. Het staat de KNSA en de KNTS vrij om andere (extra) voorwaarden te verbinden aan de certificering voor de bij hun aangesloten verenigingen, dan de voorwaarden die betrekking hebben op de veiligheid en openbare orde die met de Minister zijn overeengekomen en vastgelegd in een gezamenlijk convenant. Het voldoen aan deze extra voorwaarden geschiedt op vrijwillige basis. Deze aanvullende voorwaarden kunnen daarom geen reden vormen om een basiscertificering te weigeren.
Krachtens artikel 28, tweede lid, Wwm jo. 43a, eerste lid, Rwm dient een ieder die de schietsport wenst te beoefenen en daartoe een wapenverlof aanvraagt, aangesloten te zijn bij een schietvereniging, die door een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen organisatie is gecertificeerd. De KNSA en de KNTS zijn als organisaties door de Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van onderstaande voorwaarden, aangewezen om schietsportverenigingen c.q. verenigingen waar de traditionele schietsport wordt beoefend te certificeren. De KNSA is aangewezen omdat deze organisatie in internationaal verband het vertegenwoordigend orgaan van de schietsport is en is aangesloten bij onder meer NOC*NSF, ISSF (International Shooting Sport Federation) en de ESC (European Shooting Confederation). De KNSA is daarmee de koepelorganisatie op het gebied van de schietsport in Nederland en heeft de afgelopen jaren samen met de Minister van Justitie en Veiligheid kaders ontwikkeld om te toetsen dat een schietvereniging de schietsport op een veilige en gecontroleerde wijze door haar leden laat beoefenen.
De KNTS is opgericht door de Noord Brabantse Federatie van Schuttersgilden en de Vereniging Brabantse Gildeschutters en vertegenwoordigt een belangrijk deel van de Gilden en daarmee van het traditioneel schieten in Nederland. De KNTS staat als koepel dicht bij de overige activiteiten die naast het schieten plaatsvinden bij de Gilden.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport of het traditioneel schieten kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid, de schietsport of het traditioneel schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend, en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van schietsport of het traditioneel schieten (hierna ook wel schietsportdisciplines genoemd) in het verband van een schietvereniging. Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS dient om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie te verkrijgen, haar leden in staat te stellen een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline binnen haar vereniging te beoefenen.
Zoals in onderdeel B/2.1 en B/2.4 is vermeld is het in wedstrijdverband beoefenen van een gereglementeerde schietsportdiscipline, of als betrokkene lid is van een vereniging voor traditionele schietsportdisciplines, één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de (traditionele) schietsport. Daarbij is bepalend of het beoefenen van de schietsport een redelijk belang voor het voorhanden hebben van wapens als bedoeld in artikel 28 WWM oplevert. Door voor de invulling van het criterium van het redelijk belang bij het beoefenen van de schietsport aan te sluiten bij de bestaande kaders voor die sport, wordt zo veel mogelijk gewaarborgd dat daadwerkelijk sprake is van beoefening van de schietsport en wordt zoveel mogelijk de veiligheid gewaarborgd. Schietsportdisciplines zijn vastgesteld om te waarborgen dat onder meer wapens en schietterrein geschikt zijn om op veilige wijze de schietsport te beoefenen. Een vrije interpretatie van het begrip schietsport zou kunnen leiden tot een wildgroei aan schietsportdisciplines. Hierdoor zou de korpschef niet of nauwelijks meer kunnen controleren of er sprake is van een schietsportdiscipline en of de wapens en munitie geschikt zijn voor de te beoefenen discipline. Gezien het voorgaande zou het dan niet of nauwelijks te bepalen zijn of de schutter een redelijk belang heeft bij het voorhanden hebben van het door hem gewenste wapens en munitie ten behoeve van het beoefenen van de schietsport. Bovendien is dan niet goed meer vast te stellen of het beoefenen van de schietsportdiscipline een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Om invulling te geven aan wat ik onder een schietsportdiscipline versta, is in bijlag C8 een overzicht opgenomen van de schietsportdisciplines die naar mijn oordeel een redelijk belang op kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof. Dit betreft schietsportdisciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en waarvan ik van oordeel ben dat dit gangbare schietsportdisciplines zijn. Daarbij is ook opgenomen welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines. Zie verder 2.6 Schietsportdisciplines.
2.4.3.Buitenlandse schietverenigingen
Het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband levert voor de betrokkene weliswaar een belang op bij het voorhanden mogen hebben van vuurwapens, maar dit enkele belang is geen ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 28 van de WWM. Gelet op de restrictieve wetgeving en het dienovereenkomstige beleid, wordt geen verlof verleend indien de aanvrager slechts de bedoeling heeft buiten Nederland de schietsport te beoefenen. De betrokkene zal zich, om in het desbetreffende land de bevoegdheid te krijgen om over een wapen te beschikken, tot de autoriteiten van dat land moeten wenden. Hij zal er voorts voor moeten zorgen dat het wapen in dat land – ten behoeve van het doel waarvoor hij het voorhanden wil houden – kan worden bewaard.