ECLI:NL:RBLIM:2025:12110

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/03/338349 / HA ZA 25-47
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burenruzie over erfgrens en bedreigingen met contactverbod

In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Limburg, gaat het om een conflict tussen buren over erfgrenskwesties en beschuldigingen van bedreigingen. De eiser, een huurder, heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde, de eigenaar van het aangrenzende perceel, met betrekking tot overlast van bomen en kippen. De gedaagde heeft op haar beurt een contactverbod geëist wegens bedreigingen die zij van de eiser zou hebben ontvangen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser geen eigenaar is van het perceel en dat zijn vordering tot verwijdering van de boom daarom niet kan worden toegewezen. De rechtbank heeft de vordering van de gedaagde tot contactverbod toegewezen, omdat er sprake was van ernstige bedreigingen en een gevaar voor herhaling. De rechtbank heeft ook de kosten van het handschriftenonderzoek toegewezen aan de gedaagde, evenals de kosten van de procesvoering. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een evenwichtige afweging van de belangen van beide partijen en de bescherming van de gedaagde tegen onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/338349 / HA ZA 25-47
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn buren van elkaar. Zij hebben onenigheid over een aantal zaken die zich rondom de erfgrens afspelen. [gedaagde] beschuldigt [eiser] er ook van dat deze haar en haar gezin al gedurende langere tijd bedreigt. Ze vordert een contactverbod. Dat wordt toegewezen voor zover het ziet op bedreigende uitlatingen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5;
- incidentele conclusie tot verwijzing tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord in incident
- het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 22 januari 2022
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte inbreng producties 25 tot en met 29 tevens eiswijziging van [gedaagde] ;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn achterburen van elkaar. Op de tekening hieronder (Bijlage A) is te zien hoe de percelen van [eiser] en [gedaagde] aan elkaar grenzen. [gedaagde] is sinds 2013 eigenaar van de woning met [perceelnummer X] . [eiser] huurt sinds 1997 de woning met [perceelnummer Y] . Dit is het perceel binnen de oranje lijnen.
BIJLAGE A
3.2.
De relatie tussen partijen is door de jaren heen verslechterd. Dit komt enerzijds door overlast die zij over en weer ervaren en anderzijds door bedreigende teksten die [gedaagde] heeft ontvangen.
Overlast
3.3.
In de achtertuin van [gedaagde] staat een hoge dennenboom op ongeveer 1 meter afstand van de erfgrens met [eiser] . Ook staat er een leisterbes. [eiser] heeft over deze bomen bij [gedaagde] geklaagd. Verder heeft [eiser] bij [gedaagde] geklaagd over geluidsoverlast van de kippen van [gedaagde] .
3.4.
[gedaagde] klaagt op haar beurt over overlast door de wortels en knollen in de tuin van [eiser] die naar de stelling van [gedaagde] haar schutting beschadigen. Daarnaast klaagt [gedaagde] over overlast door de afwatering van het tuinhuisje van [eiser] .
Bedreigingen
3.5.
[gedaagde] heeft de afgelopen jaren verschillende handgeschreven bedreigingen ontvangen.
3.6.
[gedaagde] heeft door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau een handschriftonderzoek laten verrichten. Het doel van dit onderzoek was om te achterhalen of de bedreigingen door [eiser] zijn geschreven. Hierbij heeft het onderzoeksbureau de teksten van de bedreigingen vergeleken met teksten die [eiser] met de hand heeft geschreven. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 28 augustus 2024 [1] . In het rapport is geconcludeerd dat het scenario dat de teksten zijn geschreven door [eiser] waarschijnlijker is dan het scenario dat de teksten door een ander zijn geschreven.
3.7.
Partijen hebben (via hun advocaten) contact met elkaar gehad over de overlast die zij over en weer ervaren en de bedreigingen die [gedaagde] heeft ontvangen. Dit heeft echter niet tot een oplossing voor hun geschil geleid.

4.De vorderingen van partijen

In conventie
4.1.
[eiser] vordert in zijn dagvaarding – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het verwijderen van de den, het snoeien van de leisterbes, het stoppen van de overlast die de kippen veroorzaken en het betalen van de proceskosten.
4.2.
Op de stellingen van partijen zal hierna bij de beoordeling worden ingegaan.
In reconventie
4.3.
In reconventie vordert [gedaagde] na eiswijziging – samengevat:
  • [eiser] te verbieden om gedurende 5 jaar met [gedaagde] en/of haar gezin primair in contact te treden dan wel subsidiair contact op te nemen, zowel mondeling als schriftelijk door middel van brieven of het achterlaten van anderszins handgeschreven berichten, als de uitlatingen bedreigende of intimiderende teksten bevatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
  • [eiser] te veroordelen om een bedrag van € 1.895,00 aan schadevergoeding voor de schutting van [gedaagde] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
  • [eiser] te veroordelen de afwatering van zijn tuinhuisje aan te passen en aangepast te houden, zodat het water niet meer op het perceel van [gedaagde] afwatert op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  • [eiser] te veroordelen deskundigenkosten van € 3.841,75 inclusief BTW aan [gedaagde] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
  • [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven geen last te hebben van de leisterbes. [eiser] heeft zijn vordering ten aanzien van de leisterbes daarom ingetrokken zodat de rechtbank hierover niet meer hoeft te oordelen. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de kippen inmiddels weg zijn. Ook de vordering ten aanzien van de kippen heeft [eiser] daarom ingetrokken zodat de rechtbank niet meer hierover hoeft te oordelen. Daardoor blijft alleen de vordering tot verwijdering van de den en de vordering tot veroordeling in de proceskosten over.
5.2.
[eiser] legt aan de vordering tot verwijdering van de den ten grondslag dat deze binnen een afstand van 2 meter van de erfgrens staat en de den daarom op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet worden verwijderd. [gedaagde] voert het verweer dat de vordering tot verwijdering van de den is verjaard op grond van artikel 3:314 juncto 3:306 BW, omdat de den er al ruim 20 jaar staat.
5.3.
De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af en wel om de volgende reden.
De vordering tot verwijdering van een boom moet door de eigenaar van een naburig perceel worden ingesteld en niet door een huurder, tenzij de eigenaar tegen het instellen van de vordering door de huurder geen bezwaar heeft [2] . [eiser] is de huurder en niet de eigenaar van het door hem bewoonde perceel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij geen overleg heeft gehad met de eigenaar over het instellen van de vordering tot verwijdering van de den. Daardoor staat niet vast dat de eigenaar geen bezwaar heeft tegen het instellen van de vordering door [eiser] .
Proceskosten
5.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.687,00
5.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
Contactverbod en kosten handtekeningenonderzoek
5.6.
[gedaagde] vordert dat [eiser] een contactverbod met haar en haar gezin wordt opgelegd voor de duur van 5 jaar. Een contactverbod kan worden toegewezen wanneer sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en concreet gevaar voor herhaling. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, moeten alle relevante omstandigheden van het geval en de belangen van partijen worden afgewogen.
5.7.
[gedaagde] stelt dat zij sinds 25 oktober 2022 stelselmatig wordt bedreigd door [eiser] . [eiser] zou op die datum tegen de partner van [gedaagde] hebben gezegd dat [eiser] de dochter van [gedaagde] zou laten ontvoeren en dat [eiser] mannen bij elkaar zoekt om een brandbom bij [gedaagde] naar binnen te gooien. Op 6 januari 2024 trof [gedaagde] een bord onder haar auto aan waarop stond geschreven “
pas op voor explosie”. Op 1 juni 2024 zou [eiser] opnieuw de partner van [gedaagde] mondeling hebben bedreigd met het ontvoeren van hun dochter en het naar binnen laten gooien van een brandbom. Op 6 juli 2024 trof [gedaagde] weer een bord onder haar auto aan met de tekst “
Pas op explosie: laatste waarschuwing”.
5.8.
In het handtekeningenonderzoek van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau is – samengevat – geconcludeerd dat de borden met de woorden “pas op voor explosie” en “pas op explosie: laatste waarschuwing” die onder de auto zijn gevonden waarschijnlijk door [eiser] zijn geschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat hij de borden onder de auto van [gedaagde] heeft gelegd. Daarmee staat vast dat [eiser] [gedaagde] en haar gezin op deze wijze heeft bedreigd met een explosie.
5.9.
[eiser] betwist echter dat hij de partner van [gedaagde] ook mondeling heeft bedreigd. De rechtbank is van oordeel dat deze betwisting onvoldoende is onderbouwd en wel om de volgende redenen.
5.10.
[gedaagde] heeft een verklaring van buurtbewoonster [X] (hierna te noemen: [buurtbewoonster] ), wonende aan [adres] te [woonplaats] , overgelegd [3] waaruit blijkt dat deze mevrouw op soortgelijke wijze is bedreigd. [buurtbewoonster] verklaart namelijk dat zij handgeschreven brieven met een bedreigend karakter heeft ontvangen. In de brieven, die bij de verklaring zijn gevoegd, wordt gedreigd dat de woning en de auto van [buurtbewoonster] in brand wordt gestoken. In een door [buurtbewoonster] opgenomen filmpje [4] is te zien dat een persoon een brief onder de ruitenwisser van de auto van [buurtbewoonster] plaatst. In haar verklaring stelt [buurtbewoonster] dat [eiser] de persoon op het filmpje is.
5.11.
De rechtbank constateert dat het dreigen een brandbom naar binnen te gooien en het dreigen met een explosie bij [gedaagde] en haar man lijkt op het dreigen met het in brand steken van de woning en auto bij [buurtbewoonster] . Ook het anoniem achterlaten van brieven bij [buurtbewoonster] en het anoniem neerleggen van borden met tekst bij [gedaagde] lijkt op elkaar. Het is dan ook aannemelijk dat [eiser] de mondelinge bedreigingen tegen de partner van [gedaagde] daadwerkelijk heeft geuit. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank dat de betwisting van de mondelinge bedreiging door [eiser] onvoldoende is onderbouwd. Daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat ook de mondelinge bedreigingen door [eiser] tegen de man van [gedaagde] zijn gedaan.
5.12.
Door het neerleggen van de borden waarin wordt gedreigd met een explosie en het mondeling bedreigen met ontvoering van de dochter en het naar binnen gooien van een brandbom, heeft [eiser] een ernstige onrechtmatige daad jegens [gedaagde] en haar gezin gepleegd. [gedaagde] voelt zich hierdoor onveilig en haar minderjarige dochter is ernstig angst aangejaagd door [eiser] .
5.13.
Toch is dit volgens [eiser] onvoldoende om een contactverbod op te leggen, omdat er volgens hem geen concreet herhalingsgevaar is. Hij stelt sinds juli 2024 geen bedreigingen meer te hebben geuit jegens [gedaagde] . De rechtbank oordeelt echter dat er wel een gevaar voor herhaling bestaat. De bedreigingen jegens [gedaagde] en haar gezin zijn namelijk over langere tijd gepleegd en bovendien heeft [eiser] ook onlangs nog buurtbewoonster [buurtbewoonster] bedreigd. Dit wijst op een herhalend patroon van bedreigingen voortdurend over langere tijd waardoor een contactverbod met een dwangsom aangewezen is.
5.14.
De primaire vordering van [gedaagde] houdt een verbod op iedere vorm van contact in. De rechtbank vindt dit te ruim. Er kunnen zich namelijk situaties voordoen waarbij contact tussen buren noodzakelijk is. De rechtbank wijst de primaire vordering daarom af. De subsidiaire vordering van [gedaagde] verbiedt niet iedere vorm van contact, maar alleen contact dat een dreigende of intimiderende vorm heeft. De rechtbank vindt dit een proportionele en passende vordering. [eiser] wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad omdat hij hoe dan ook niet mag bedreigen. De rechtbank wijst de subsidiaire vordering dan ook toe inclusief de gevorderde dwangsom daarbij van € 500,- per overtreding.
5.15.
[gedaagde] vordert verder vergoeding van de kosten van € 3.841,75 inclusief BTW die het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau haar voor het handschriftenonderzoek in rekening heeft gebracht [5] . Zij baseert deze vordering op artikel 6:96 lid 1 aanhef en sub b BW, waarin wordt bepaald dat redelijke kosten ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen.
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] voldoende onderbouwd dat het inschakelen van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau noodzakelijk was om haar vordering tot het verbod op contact wegens onrechtmatig handelen te onderbouwen. Omdat het rapport een relevante bijdrage heeft geleverd aan haar vordering en de kosten zijn onderbouwd, zullen de kosten van € 3.841,75 worden toegewezen.
5.17.
[gedaagde] vordert ook dat dit bedrag binnen 2 dagen na betekening van het vonnis worden betaald. Omdat de rechtbank deze termijn te kort en daardoor niet redelijk vindt, zal de termijn worden verlengd naar 14 dagen na betekening van het vonnis.
Schadevergoeding schutting
5.18.
[gedaagde] vordert om [eiser] te veroordelen een bedrag van € 1.895,00 aan schadevergoeding voor de schutting van [gedaagde] te betalen. Aan de gevorderde schadevergoeding legt [gedaagde] ten grondslag dat oude wortels en omhoog groeiende knollen uit de tuin van [eiser] delen van de schutting van [gedaagde] naar binnen duwen. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] foto’s [6] overgelegd. [eiser] maakt daarmee inbreuk op haar eigendomsrecht en dat is onrechtmatig, aldus [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is [eiser] dan ook gehouden de herstelkosten van € 1.895,00 te vergoeden.
5.19.
[eiser] betwist dat de schade aan de schutting is ontstaan door de wortels en knollen. Volgens hem is de schade ontstaan doordat de schutting niet goed is geplaatst.
5.20.
De rechtbank constateert dat [gedaagde] met de foto’s die zij heeft overgelegd onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade aan de schutting is ontstaan door wortels en/of bloembollen van [eiser] . Alleen op foto 2 zijn bloembollen te zien bij een verschoven plank van de schutting en op foto 5 is een smalle afgeknipte stengel te zien bij een andere verschoven plank van de schutting. Op de andere foto’s zijn alleen verschoven planken van de schutting te zien zonder dat daar wortels of bloembollen te zien zijn. De rechtbank wijst deze vordering van [gedaagde] dan ook als onvoldoende onderbouwd af.
Afwatering tuinhuisje
5.21.
Volgens [gedaagde] loopt water van het dak van tuinhuisje van [eiser] op haar erf af. [gedaagde] vordert om [eiser] te veroordelen de afwatering van zijn tuinhuisje aan te passen en aangepast te houden, zodat het water niet meer op het perceel van [gedaagde] afwatert. [gedaagde] baseert haar vordering op artikel 5:52 lid 1 BW dat bepaalt dat de afdekking van gebouwen zodanig moet zijn ingericht dat daarvan het water niet op het erf van een ander afloopt.
5.22.
[eiser] betwist dat het tuinhuisje afwatert op het perceel van [gedaagde] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij zelf het tuinhuisje heeft laten bouwen, waarbij is gecontroleerd of het water op het perceel van [gedaagde] afliep. Dat was destijds volgens [eiser] niet het geval. [gedaagde] heeft daartegen ingebracht dat na de plaatsing van het tuinhuisje het dak ervan is verlengd met golfplaten die een soort afdakje vormen, waardoor het water sindsdien op het erf van [gedaagde] afloopt.
5.23.
De rechtbank constateert het volgende. Op foto’s in het dossier [7] is het afdakje te zien. Het afdakje is zodanig hoog en dicht langs de erfgrens geplaatst dat het zeer aannemelijk is dat het water op het erf van [gedaagde] afloopt. Dit is door [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank neemt dan ook aan, dat het water inderdaad vanaf het tuinhuisje via het afdakje op het perceel van [gedaagde] afloopt wat in strijd is met de wet.
5.24.
[eiser] stelt verder dat hij als huurder niet hierop kan worden aangesproken. De rechtbank overweegt echter dat [eiser] in dit geval wel op de afwatering kan worden aangesproken. Hoewel artikel 5:52 BW zich richt tot de eigenaar van een erf, kan de aard en de strekking van deze bepaling namelijk meebrengen dat deze van overeenkomstige toepassing is op een gebruiker, zoals de huurder [8] . Dat is hier het geval omdat [eiser] zelf het tuinhuisje heeft laten plaatsen en het afdakje heeft gemaakt. [eiser] heeft het dus ook in zijn macht om ervoor te zorgen dat het water van het tuinhuisje niet meer op het erf van [gedaagde] afloopt. Dit kan door het afdak in te korten.
5.25.
De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] dan ook toewijzen. De door [gedaagde] verzochte termijn van 2 dagen na betekening van het vonnis waarbinnen de afwatering moet zijn aangepast, vindt de rechtbank echter te kort en daardoor niet redelijk. De rechtbank zal daarom een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis aan de veroordeling koppelen. Pas daarna zal [eiser] een dwangsom van € 500,- verschuldigd worden voor iedere dag of ieder dagdeel dat hij hiermee in gebreke blijft.
Proceskosten
5.26.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punt × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.367,00

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie:
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 1.687,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart 6.2 en 6.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie:
6.5.
verbiedt [eiser] om vanaf de betekening van dit vonnis gedurende 5 jaar met [gedaagde] en/of haar gezin contact op te nemen, zowel mondeling als schriftelijk door middel van brieven of het achterlaten van anderszins handgeschreven berichten, als de mondelinge of schriftelijke uitlatingen bedreigende of intimiderende teksten bevatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per overtreding,
6.6.
veroordeelt [eiser] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de afwatering van het tuinhuisje in de tuin van [eiser] aan te passen en aangepast te houden, zodat het water van het tuinhuisje niet meer op het perceel van [gedaagde] afwatert, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [eiser] hiermee in gebreke blijft,
6.7.
veroordeelt [eiser] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] te voldoen de deskundigenkosten ad € 3.841,75 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,
6.8.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.367,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.10.
verklaart 6.5 tot en met 6.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Voetnoten

1.Productie 13 [gedaagde] .
3.Productie 25 van [gedaagde] .
4.Productie 26 [gedaagde] .
5.Productie 14 [gedaagde] factuur Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau.
6.Productie 9 [gedaagde] .
7.Productie 1 [eiser] .
8.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5170 r.o. 4.16.