ECLI:NL:RBLIM:2025:12090

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11808956 cv expl 25-3257
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 FaillissementswetArt. 47 FaillissementswetArt. 1177 Burgerlijk WetboekTweede boek Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van curator bij vernietiging executiebetaling in faillissement MosquitNo BV

De curator van het faillissement van MosquitNo BV vorderde vernietiging van een executiebetaling van €10.032,06 aan een schuldeiser die tevens faillissementsaanvraag had gedaan. De kernvraag was of betaling door executie onder artikel 47 Faillissementswet Pro valt en dus vernietigbaar is.

De kantonrechter oordeelde dat executiebetalingen niet onder de vernietigbaarheid van artikel 47 FW Pro vallen, ook niet als de schuldeiser wist dat het faillissement was aangevraagd. Dit volgt uit de Parlementaire Geschiedenis, waarin expliciet is vermeld dat executiebetalingen onaangetast blijven om de rechtszekerheid en het vertrouwen in executiemiddelen te waarborgen.

De curator stelde ook onrechtmatige daad, misbruik van bevoegdheid en onaanvaardbaarheid van het handelen van de schuldeiser, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De kantonrechter wees de vorderingen af en veroordeelde de curator in de proceskosten.

Uitkomst: De curator wordt in het ongelijk gesteld en de vordering tot vernietiging van de executiebetaling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11808956 \ CV EXPL 25-3257
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[curator] IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN CURATOR IN HET FAILLISSEMENT VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID MOSQUITNO B.V.,
te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
gemachtigde: mr. R.A. Stoks,
tegen
[gedaagde],
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
MosquitNo BV was een onderneming die zich - kort gezegd - bezighield met
de ontwikkeling, productie en verkoop van producten waarmee muggen en andere (stekende) insecten op afstand kunnen worden gehouden.
2.2.
[gedaagde] is een van de (minderheids-)aandeelhouders van MosquitNo. Van 2009 tot 2016 was [gedaagde] indirect bestuurder van MosquitNo en direct gevolmachtigde.
2.3.
Op 1 mei 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant vonnis gewezen in een zaak tussen Bibby Financial Services BV en [gedaagde] . [gedaagde] is veroordeeld tot betaling aan Bibby Financial Services van € 26.025,00, alsmede proceskosten en beslagkosten. In deze zaak had [gedaagde] MosquitoNO in vrijwaring opgeroepen. MosquitoNo is in deze procedure niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. MosquitoNo is in de vrijwaring veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van dezelfde bedragen die [gedaagde] aan Bibby Financial Services moest betalen. MosquitoNo is tegen deze veroordeling in verzet gegaan. De verzetdagvaarding is op 14 juni 2024 aan [gedaagde] betekend.
2.4.
Op 31 mei 2024 heeft [gedaagde] het faillissement aangevraagd van MosquitNo. Dat verzoek is op 4 juni 2024 binnengekomen bij de Rechtbank Limburg en op 9 juli 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter gelegenheid daarvan is het verzoek voor de duur van drie weken aangehouden, aangezien partijen in overleg waren over een regeling.
2.5.
[gedaagde] heeft vervolgens op 10 juli 2024 executoriaal derdenbeslag gelegd op de bankrekening van MosquitNo bij de ABN AMRO Bank om het vonnis van 1 mei 2024 ten uitvoer te leggen. Dit beslag trof doel. Op 29 juli 2024 heeft de bank het beslagen banktegoed aan de deurwaarder uitbetaald. Dit betrof een bedrag van € 10.032,06.
2.6.
Op 30 juli 2024 is de behandeling van het faillissementsrekest voortgezet en is MosquitNo in staat van faillissement verklaard.
2.7.
Op 2 augustus 2024 heeft [gedaagde] zijn (restant)vordering op MosquitoNo bij de curator ingediend.
2.8.
Op 15 augustus 2024 heeft mr. Ralf Stoks (advocaat en werkzaam bij hetzelfde kantoor als de curator) per e-mail aan de bij de beslaglegging betrokken deurwaarder de buitengerechtelijke vernietiging (wegens strijd met artikel 47 Fw Pro) ingeroepen van de betaling van € 10.032,06 en gesommeerd dit bedrag op de boedelrekening te storten. De deurwaarder heeft aan mr. Stoks laten weten dat het bedrag al aan [gedaagde] was uitbetaald.
2.9.
Op 10 december 2024 heeft mr. Stoks (de kantonrechter begrijpt, namens de curator) een e-mail aan [gedaagde] zelf gestuurd met - wederom - een beroep op de vernietigbaarheid van de betaling van € 10.032,06 en het verzoek dit bedrag op de boedelrekening te storten.
2.10.
In een e-mail van 15 januari 2025 heeft mr. Stoks nogmaals [gedaagde] gesommeerd om binnen veertien dagen na ontvangst van die e-mail tot betaling over te gaan, en aangezegd dat anders een bedrag van € 875,31 aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou worden.
2.11.
[gedaagde] heeft geweigerd aan de sommatie te voldoen omdat er naar zijn mening geen sprake is geweest van paulianeus handelen.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat de curator de betaling van MosquitoNo aan [gedaagde] buitengerechtelijk heeft vernietigd, dan wel om deze betaling te vernietigen, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan de curator van het bedrag van € 10.032,06, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die partijen verdeeld houdt is of de curator met succes de vernietigbaarheid heeft ingeroepen van de executie van het bedrag van € 10.032,06 en [gedaagde] daarom dit bedrag moet afdragen aan de boedel van het gefailleerde MosquitoNo. De kantonrechter beantwoordt die vraagt ontkennend. Hieronder zal worden uitgelegd hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Juridisch kader en de kern van het geschil
4.2.
In artikel 42 van Pro de Faillissementswet (FW) is bepaald dat de curator ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling kan vernietigen die de schuldenaar vóór de faillietverklaring
onverplichtheeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.
4.3.
In artikel 47 Fw Pro is bepaald dat de voldoening door de schuldenaar aan
een opeisbare schuldniet vernietigd kan worden, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.
4.4.
In de onderhavige zaak staat vast dat [gedaagde] op het moment dat het executoriale beslag werd gelegd, wist dat het faillissement van MosquitoNo was aangevraagd. Dat had hij immers zelf gedaan.
4.5.
De vraag die nu ter beantwoording voorligt is of onder de zinsnede in artikel 47 FW Pro
de voldoening door de schuldenaaraan een opeisbare schuld ook begrepen moet worden de situatie waarin de schuld aan schuldeiser door executie (deels) wordt voldaan. Dat is immers een vorm van voldoening waar de schuldenaar buiten staat.
De standpunten van partijen
4.6.
[gedaagde] heeft betoogd dat er in dit geval geen sprake is geweest van voldoening door de schuldenaar. Er was geen sprake van een vrijwillige betaling maar van de executie van een vonnis.
4.7.
De curator heeft betoogd dat er geen enkele aanleiding is om onderhavige kwestie anders te behandelen dan een “klassieke pauliana” waarbij rechtstreeks door de schuldenaar aan de schuldeiser wordt betaald. Volgens de curator volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 47 Fw Pro dat niet de schuldenaar, maar de schuldeiser centraal staat, die zich aan de concursus onttrekt door, in de wetenschap dat het faillissement van zijn schuldenaar is aangevraagd, desondanks betaling van de schuldenaar vraagt en in ontvangst neemt. Volgens de curator was het de bedoeling van de wetgever dat verplicht verrichte handelingen uitsluitend aan te tasten zijn, indien de schuldeiser te kwader
trouw is op het moment dat hij de betaling verkrijgt. De wetgever achtte de kwade trouw in twee specifieke gevallen als klaarblijkelijk aanwezig en om die reden heeft hij die twee gevallen nadrukkelijk in artikel 47 Fw Pro vermeld. Anders gezegd; de schuldeiser die voldaan wordt ofwel op het moment dat hij weet dat het faillissement van zijn schuldenaar is aangevraagd, ofwel als gevolg van kwaad overleg met zijn schuldenaar, is hoe dan ook
steeds te kwader trouw en verdient géén bescherming. Als deze maatstaf wordt gehanteerd, is het wat de curator betreft vanzelfsprekend dat ook de schuldeiser die betaling van zijn schuldenaar heeft verkregen door die middels executie af te dwingen, niet wordt beschermd, indien dit gebeurde terwijl de schuldenaar wist dat het faillissement van zijn schuldenaar reeds was aangevraagd. De wijze waarop de voldoening in een concreet geval plaatsvindt, is in beginsel niet relevant als het gaat om de moraliteit van de schuldeiser, namelijk het zijn van te kwader trouw, terwijl hij zich aan de concursus onttrekt.
Andere rechtspraak over dit geschilpunt
4.8.
Voor zover de kantonrechter heeft kunnen achterhalen, zijn over de in dit geschil te beantwoorden vraag slechts twee eerdere uitspraken gepubliceerd [1] , te weten van de Rechtbank Amsterdam van 5 februari 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AG8282 en van de Rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1410. In beide zaken is, met verschillende motiveringen, geoordeeld dat de executie niet op grond van artikel 47 Fw Pro kon worden aangetast.
Wat staat in de Parlementaire Geschiedenis?
4.9.
Artikel 47 Fw Pro is ingevoerd in 1896. In de Memorie van Toelichting [2] bij het wetsvoorstel staat als toelichting bij dit artikel het volgende (waarbij de onderstreepte delen van de tekst steeds van de kantonrechter zijn, omdat daaraan in de verdere beoordeling bijzonder belang wordt gehecht):
Hierboven, bij de toelichting van den algemeenen regel in artikel 42 neergelegd Pro, werd er reeds op gewezen dat het Ontwerp op 't beginsel, dat verplichte handelingen en mitsdien ook betalingen van opeischbare schulden nimmer als nietig beschouwd kunnen worden, twee uitzonderingen toelaat. Deze zijn in artikel 47 nader Pro geformuleerd.
De eerste uitzondering: nietigheid van de betaling eener opeischbare schuld aan hem die bekend is met de aanvrage tot faillietverklaring, spreekt voor zich zelve. De schuldeischer, die niet bloot een faillissement ducht, maar de zekerheid heeft verkregen dat daartoe aanvrage is gedaan, mag gezegd worden in strijd te handelen met de goede trouw door hem ook jegens zijne mede-schuldeischers in acht te nemen, wanneer hij onder die omstandigheden nog betaling van zijn schuldenaar
vraagt en aanneemt, en zich op die wijze aan den concursus onttrekt. Dezelfde overweging heeft er toe geleid ook de tweede uitzondering voor te stellen.
Zij laat al die gevallen onaangetast, waarin eene schuld op regelmatige wijze wordt geïnd, waarin de betaling verkregen wordt door daarop aan te dringen, vonnis te vragen,
beslag te leggen of te executeren. De bedoeling is veeleer uitsluitend die betalingen te treffen, welke hetzij op een afspraak berusten om, wanneer het tot een faillissement mocht komen, den schuldeischer buiten den concursus te houden, hetzij -
en dat dikwijls op initiatief van den schuldenaar- gedaan worden in den vooravond van het faillissement,
omdatdit zal worden aangevraagd en terwijl de schuldeischer volkomen bekend is met den toestand waarin zijn schuldenaar verkeert. Dat van bedoelde omstandigheden behoort te blijken, daaraan moet,
daar het hier eene uitzondering op den regel geldt, streng worden vastgehouden.
De bepaling mag geen aanleiding geven om als nietig te beschouwen datgene wat de schuldeischer krachtens uitoefening van zijn vorderingsrecht heeft verkregen. Vandaar dat op den curator het bewijs rust van de aanwezigheid der omstandigheden.
4.10.
Naast de toelichting bij artikel 47 Fw Pro, acht de kantonrechter voor de uitleg van de bewuste passage in artikel 47 Fw Pro ook onderdelen uit de toelichting bij de artikelen 42-51 Fw van belang. Deze onderdelen zijn hieronder geciteerd:
De regeling van de zoogenaamde actio Pauliana en hetgeen daarmede samenhangt, van het recht der schuldeischers handelingen huns schuldenaars van hunne rechtskracht te berooven, is van alle vraagstukken, waartoe het materieel faillietenrecht aanleiding geeft, het moeilijkste.
Tot juist begrip van de daaromtrent voorgestelde bepalingen is het volstrekt noodzakelijk de beginselen, welke daaraan ten grondslag liggen, kortelijk aan te wijzen. “Alle de roerende en onroerende goederen van den schuldenaar, zoowel tegenwoordige als toekomstige, zijn voor deszelfs persoonlijke verbintenissen aansprakelijk"; met deze woorden geeft artikel 1177 Burgerlijk Pro Wetboek uitdrukking aan een bij alle beschaafde naties geldend rechtsbeginsel. Daarnevens slaat dit andere rechtsbeginsel dat een ieder volkomen tot handelen bevoegd is, en dat eene uitdrukkelijke wetsbepaling noodig is om iemand die bevoegdheid te ontzeggen of hem daarin in het een of ander opzicht te beperken.
Is bijgevolg een ieder, ook hij die schulden heeft, volkomen bevoegd naar goeddunken over zijn vermogen te beschikken en moet derhalve de toestand waarin de schuldenaar zijn vermogen, krachtens dat beschikkingsrecht, heeft gebracht, door zijne schuldeischers bij executie op de meest volstrekte wijze geëerbiedigd worden,aan den anderen kant rust evenzeer
op elken schuldenaarde plicht het onderpand zijner schuldeischers niet willens en wetens te hunnen nadeele te verminderen of weg te maken. Dit doende mag hij gezegd worden te kwader trouw te handelen.
Vandaar dat reeds in het Romeinsche recht den schuldeischers rechtsmiddelen gegeven werden
om tegen handelingen van hun schuldenaar, met dien plicht in strijd, op te komen; rechtsmiddelen ten doel hebbende het voor hen nadeelige effect dier handelingen weer op te heffen. Als zoodanig vindt men in hel Romeinsche recht het fraudatorium inter dictum en de actio Pauliana , welke laatste naam nog steeds gebruikt wordt ter aanduiding van de analoge rechtsmiddelen van het hedendaagsche recht. Kunnen de schuldeischers in het algemeen eene aanspraak slechts doen gelden op het voorhanden vermogen van hunnen schuldenaar, de Pauliana stelt hen in staat zich onder bepaalde omstandigheden nog bovendien te verhalen op zaken, die reeds uit dat vermogen gegaan zijn,
door aan de handeling huns schuldenaars,
waardoor die vervreemding bewerkstelligd werd, te hunnen bate hare rechtskracht te ontnemen. Vandaar dat de Pauliana steeds gericht is tegen den derde, die de vermogensbestanddeelen van den schuldenaar
heeft ontvangen, maar dan ook alleen tegen den schuldigen derde, die tijdens zijne verwerving bekend was met het gebrek, dat der vervreemding aankleefde, bekend was met het feit dat de schuldenaar
door zijne handelingzijne schuldeisers moedwillig benadeelde.
(…)
In de natuur der Pauliana ligt, dat zij slechts handelingen kan treffen,
die de schuldenaar onverplicht verricht. Den schuldenaar kan er geen grief van gemaakt worden, wanneer hij datgene doet, waartoe voor hem een
rechtsplichtbestaat; men kan niet beweren dat hij opzettelijk het onderpand zijner schuld eischers wegmaakt, indien hij het gebruikt juist om zijne schulden te kwijten
. Evenmin is er een redelijke rechtsgrond aan te wijzen, om hem, die datgene ontving, waarop hij krachtens zijn vorderingsrecht aanspraak had , tot teruggaaf daarvan te noodzaken. Het is eene logische tegenstrijdigheid en tevens eene gevaarlijke inconsequentie, indien de wet eenerzijds aan den schuldenaar den plicht oplegt om te voldoen, en den schuldeischer het recht geeft om zijn schuld in te vorderen, en tegelijkertijd anderzijds den medeschuldeischers de bevoegdheid verleent om de handeling, die dus strekte tot kwijting van een wettelijken rechtsplicht en voldoening aan een wettelijk vorderingsrecht, weer ongedaan te maken.
(…)
Zoo lang de schuldenaar bevoegd is over zijn vermogen te beschikken, de concursus creditorum nog niet is aangevangen, zal steeds de rechtsgrond voor eene tegen die handelingen te richten Pauliana ontbreken. Zoolang toch blijft de schuldenaar niet alleen bevoegd maar is hij ook verplicht elken schuldeischer, die zich aanmeldt, uit zijn vermogen te voldoen.
Eerst de concursus creditorum, met andere woorden het faillissement, met het daaraan voor den schuldenaar verbonden verlies van beheer en beschikking over zijn vermogen, roept het verbod van individueele voldoening in het leven. Alleen in het systeem van den Code de Commerce liet zich de vernietigbaarheid van door den schuldenaar vóór de faillietverklaring verplicht verrichte handelingen rechtvaardigen. Maar in dat systeem deed ook reeds de “faillite de fait", welke met het bloote feit van het ophouden met betalen aan ving, en tot welker constateering geen rechterlijk vonnis noodig was, den schuldenaar van rechtswege het beheer en de beschikking over zijn vermogen verliezen. De faillietverklaring diende daarnevens slechts om het faillissementsproces, de gemeenschappelijke executie in te leiden. Met dit stelsel heeft de Nederlandsche wetgever reeds in 1838 uitdrukkelijk gebroken, om in plaats daarvan als beginsels te stellen: geen verlies van beheer en beschikking, geen faillissement in één woord, dan krachtens een vonnis van failliet verklaring, en geen andere termini a quo dan de in artikel 769 aangewezen Pro steeds vaststaande tijdstippen.
Waar dergelijke beginsels, ook in het Ontwerp gehandhaafd, zijn aangenomen, waar uitdrukkelijk is bepaald, dat de schuldenaar in de volheid zijner rechten en verplichtingen blijft, tot een vonnis van faillietverklaring daarin verandering brengt, kan ook het faillissement in beginsel op de geldigheid der eerder verrichte handelingen geen invloed hoegenaamd uitoefenen. Op deze gronden is in artikel 42 van Pro het Ontwerp, dat den algemeenen regel bevat, uitdrukkelijk bepaald dat alleen handelingen door den schuldenaar onverplicht verricht, tegenover den boedel als nietig beschouwd kunnen worden.
(…)
Op den regel: geen nietigheid van verplichte handelingen, kent het Ontwerp slechts twee uitzonderingen, in artikel 47 aangewezen Pro en bij dat artikel nader toe te lichten.
Reeds hier dient echter uitdrukkelijk geconstateerd te worden, dat het geenszins de bedoeling is daarmede te huldigen de theorie van den Konkursanspruch , die in de Motiven tot de Konkursord. f. d. Deutsche Reich wordt voorgesteld als de juridieke basis voor de nietigheid van door den schuldenaar gedane betalingen en in navolging der Motiven ook hier te lande door enkele schrijvers is verdedigd.De zg. Konkursanspruch, een op het onvermogen van den schuldenaar gegrond objectief recht van de schuldeischers jegens een ieder (zoowel den schuldenaar als jegens elkander) op door faillissement te verwezenlijken uitsluitende en gemeenschappelijke bevrediging uit den boedel huns schuldenaars,
staat lijnrecht tegenover het stelsel van het Ontwerp dat aan het onvermogen als zoodanig geen enkel rechtsgevolg verbindt, en is buitendien ook wetenschappelijk niet verdedigbaar. Niet het onvermogen des schuldenaars heeft wederzijdsche beperking van het recht van elken schuldeischer op directe en algeheele voldoening ten gevolge, maar uitsluitend het samenloopen van meerdere executiën op één vermogen en de executie ten behoeve van allen (het faillissementsproces).
2°.
De vernietiging van verplichte handelingen is in strijd met de behoeften van het verkeer: immers, zij is gericht legen het sibi vigilare; zij belet den schuldeischer zijne rechten te doen gelden juist op het oogenblik dat hij ze het meest noodig heeft; nl. als hij een déconfiture van zijn schuldenaar vreest.Zij dwingt de schuldeischers, zoodra zij moeilijkheden bij het betalen ondervinden, een faillissement te provoceeren , uit vrees hetgeen zij door individueele executies zullen verkrijgen bij een later faillissement weer aan den curator te moeten afgeven.
De zekerheid van het verkeer berust voor een groot deel op de snelheid en zekerheid der individueele executiemiddelen, en wordt bedreigd waar juist deze gekortwiekt worden.Crediet kan men niet verleenen, indien men er niet op kan vertrouwen dat, wanneer de schuldenaar betaalt, die betaling ook voor altijd on aan tastbaar blijft, al moge hij later, misschien zelfs kort daarna, in staat van faillissement geraken.
De beoordeling door de kantonrechter
- de bedoeling van de wetgever blijkens de Parlementaire Geschiedenis
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op de bewoordingen in de Memorie van Toelichting, en met name de hierboven onderstreepte passages daarin, het de bedoeling was van de wetgever dat het executeren van een vonnis niet vernietigbaar is op grond van artikel 47 Fw Pro, ook niet als de executerende schuldeiser weet dat het faillissement is aangevraagd. Ter toelichting geldt daarbij het volgende.
4.12.
De kantonrechter stelt voorop dat de uitleg van de curator dat “niet de schuldenaar, maar de schuldeiser centraal staat, die zich aan de concursus onttrekt door, in de wetenschap dat het faillissement is aangevraagd, desondanks betaling van de schuldenaar te vragen en in ontvangst te nemen [3] ” geen steun vindt in de Parlementaire Geschiedenis.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat hierin juist in de eerste plaats
de schuldenaar zelfcentraal. In meerdere passages wordt immers benadrukt hoe fundamenteel het beginsel is dat de schuldenaar zelf beschikt over zijn vermogen en zelf keuzes mag maken over hoe hij dat doet en dat aan dit beschikkingsrecht pas een eind komt op het moment dat het faillissement is uitgesproken
en niet eerder. Er worden vergelijkingen getrokken met andere rechtsstelsels (het Franse en Duitse) waar dat anders is, waarbij expliciet wordt opgemerkt dat er niet voor is gekozen die te volgen.
4.13.
In het beschrijven van de uitzonderingen op dit zwaar wegende beschikkingsrecht van de schuldenaar zolang die niet failliet is verklaard, worden vervolgens de uitzonderingen besproken, die allemaal zien op situaties waarin de schuldenaar
handelt. In bepaalde gevallen wordt vervolgens besloten dat die
handelingen van de schuldenaarvernietigd kunnen worden. Pas daarna komt aan de orde of de derde, die van die handeling heeft geprofiteerd (zijn vordering is immers voldaan), beschermd moet worden, en pas bij die beoordeling komt de vraag om de hoek kijken of die derde te goeder trouw was toen hij de betaling in ontvangst nam.
4.14.
Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat er in de visie van de wetgever pas sprake kan zijn van “bescherming” van de derde, als er sprake is van een voldoening van de schuld die het gevolg is van een handeling van de schuldenaar, met de kennelijke intentie om die derde te bevoordelen boven andere schuldeisers.
4.15.
Naast dit algemene uitgangspunt, dat het alleen de handelingen zijn van de schuldenaar, waarvan (onder uitzonderlijke omstandigheden) de nietigheid kan worden ingeroepen, staat in de toelichting op artikel 47 Fw Pro nog expliciet dat zij “
(…) al die gevallen onaangetast (laat), waarin eene schuld op regelmatige wijze wordt geïnd, waarin de betaling verkregen wordt door daarop aan te dringen, vonnis te vragen,
beslag te leggen of te executeren.
Deze zin laat zich naar het oordeel van de kantonrechter niet anders lezen dan dat betaling die verkregen wordt door de executie niet met een beroep op artikel 47 aangetast Pro (lees vernietigd) kan worden. Overigens lijkt dit artikel erop te wijzen dat ook de “gewone” voldoening van een vordering door een schuldenaar niet altijd vatbaar is voor vernietiging. Het moet niet alleen gaan om een handeling van de schuldenaar die betaalt aan één van zijn schuldeisers, het moet ook de intentie zijn van de schuldenaar om
juist die eneschuldeiser te bevoordelen. Een schuldeiser die een dergelijke betaling aanneemt, kan – indien hij wetenschap heeft van het aangevraagde faillissement – geconfronteerd worden met een buitengerechtelijke vernietiging van de betaling door de schuldenaar.
4.16.
De curator heeft nog betoogd dat er geen enkele reden is om onderscheid te maken tussen de situatie waarin een schuldenaar vrijwillig een vordering voldoet of waarin betaling wordt verkregen door daadwerkelijke executie. De kantonrechter acht dit onderscheid juist van groot belang, omdat de schuldeiser die (in een situatie zonder faillissement) beschikt over een executoriale titel, hoe dan ook al een voorsprong heeft op de andere schuldeisers van de schuldenaar die een dergelijke titel niet hebben. Deze laatste schuldeisers (en die vertegenwoordigen gewoonlijk de meerderheid) hebben
nietde mogelijkheid hun vordering (onafhankelijk van de medewerking van de schuldenaar) te verhalen op het vermogen van de schuldenaar en zijn dus afhankelijk van diens bereidheid om hun vordering vrijwillig te voldoen. Gelet op de tekst van toelichting bij artikel 47 Fw Pro heeft de wetgever bij het formuleren van de twee uitzonderingen op de onaantastbaarheid van de voldoening van opeisbare vorderingen, steeds een dergelijke situatie (van vrijwillige betaling door de schuldenaar) voor ogen gehad.
4.17.
Een schuldeiser die een executoriale titel heeft, is niet afhankelijk van de medewerking van de schuldenaar. Hij kan zich zonder die medewerking verhalen op diens vermogen, door daarop executoriaal beslag te leggen en dit uit te winnen. Dat een schuldeiser van dit recht gebruik maakt, juist als hij vreest of zelfs weet dat een faillissement zal worden uitgesproken, is een situatie die de wetgever onder ogen heeft gezien, maar juist niet heeft willen sanctioneren met een potentiële vernietiging achteraf. Dit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter uit de reeds geciteerde, maar hieronder nogmaals herhaalde passage:
De vernietiging van verplichte handelingen is in strijd met de behoeften van het verkeer: immers, zij is gericht legen het sibi vigilare; zij belet den schuldeischer zijne rechten te doen
gelden juist op het oogenblik dat hij ze het meest noodig heeft; nl. als hij een déconfiture van zijn schuldenaar vreest. Zij dwingt de schuldeischers, zoodra zij moeilijkheden bij het betalen ondervinden, een faillissement te provoceeren, uit vrees hetgeen zij door individueele executies zullen verkrijgen bij een later faillissement weer aan den curator te moeten afgeven. De zekerheid van het verkeer berust voor een groot deel op de snelheid en zekerheid der individueele executiemiddelen, en wordt bedreigd waar juist deze gekortwiekt worden. Crediet kan men niet verleenen, indien men er niet op kan vertrouwen dat, wanneer de schuldenaar betaalt, die betaling ook voor altijd onaantastbaar blijft, al moge hij later, misschien zelfs kort daarna, in staat van faillissement geraken.
- rechtsontwikkelingen na de invoering van artikel 47 Fw Pro
4.18.
De Hoge Raad heeft zich over de vraag die in dit geding centraal staat, nooit uitgelaten. De curator heeft nog een beroep gedaan op twee arresten van de Hoge Raad waaruit volgens hem blijkt dat niet altijd strak de hand wordt gehouden aan de eis dat een vordering is voldaan
door voldoening doorde schuldenaar. Die twee zaken betroffen een betaling door de schuldenaar via een verrekening in de rekening-courantverhouding met de bank respectievelijk een betaling van de schuld door een derde aan de crediteur van de schuldenaar (waardoor de schuldenaar jegens zijn crediteur was gekweten en de betaling in mindering werd gebracht op hetgeen de derde aan de schuldenaar was verschuldigd). Uit de zorgvuldige motivering in deze twee arresten volgt dat de Hoge Raad hier uitzonderingen heeft aanvaard. Indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat voor de toepassing van artikel 47 onder Pro “voldoening door de schuldenaar” alle vormen van voldoening moeten worden begrepen, zoals de curator betoogt, dan had de Raad dat met een enkele volzin kunnen verwoorden. Nu dat niet het geval is, kan naar het oordeel van de kantonrechter uit deze uitspraken niet worden afgeleid dat het vereiste dat de voldoening in beginsel door de schuldeiser zelf moet worden verricht, niet meer zou gelden voor artikel 47 Fw Pro. [4]
Conclusie omtrent de primaire grondslag: de vernietiging ex artikel 47 Fw Pro heeft geen effect gesorteerd
4.19.
[gedaagde] heeft gebruik gemaakt van de door hem verkregen executoriale titel. Hij heeft executoriaal derdenbeslag gelegd op de bankrekening van MosquitoNo. Dit beslag trof doel. Het banktegoed is naar de deurwaarder overgemaakt en die heeft het na aftrek van de kosten aan [gedaagde] overgemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] bij de executie van het vonnis van de rechtbank niet zou hebben gehandeld conform de bepalingen in de tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende de gerechtelijke uitvoering van vonnissen. Hij heeft zijn vordering dan ook op regelmatige wijze geïnd door executie daarvan. Er is geen sprake geweest van voldoening van de vordering door de schuldenaar. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit een cruciale voorwaarde is en dat een andere uitleg in strijd komt met de bedoelingen van de wetgever. Daarnaast is in de toelichting op artikel 47 Fw Pro ook nog eens expliciet bepaald dat dit een geval betreft dat door artikel 47 Fw Pro onaangetast blijft. De bijzondere situatie die zich voordeed in Loeffen q.q./ Mees en Hope I, doet zich hier niet voor. Dat betekent dat de buitengerechtelijke vernietiging geen effect heeft gesorteerd. De vordering wordt afgewezen.
Subsidiair: het beroep op onrechtmatige daad, misbruik van bevoegdheid en redelijkheid en billijkheid
4.20.
De curator heeft nog aangevoerd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij:
  • na het verkrijgen van het verstekvonnis meteen het faillissement van MosquitoNo heeft aangevraagd, terwijl was aangekondigd dat MosquitoNo in verzet zou gaan,
  • [gedaagde] op de mondelinge behandeling van het faillissementsverzoek om aanhouding heeft verzocht om een regeling te onderzoeken,
  • vervolgens meteen derdenbeslag heeft gelegd op de bankrekening van MosquitoNo.
Volgens de curator was er helemaal geen sprake van een aanhouding om een regeling te onderzoeken, maar alleen om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen gelden aan het vermogen van MosquitoNo te onttrekken.
Daarmee heeft [gedaagde] volgens de curator zijn kennis van de faillissementsaanvraag benut om in te grijpen in het tempo van de executie teneinde deze vóór de faillietverklaring af te ronden. Naar het oordeel van de curator levert deze handelswijze niet alleen een onrechtmatige daad op, maar is er ook sprake van misbruik van (executie-)bevoegdheid en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] zich op deze wijze aan de concursus onttrekt. Dit alles zou [gedaagde] schadeplichtig maken.
4.21.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij geen verboden voorkennis heeft gebruikt, maar heeft geprobeerd de schade te beperken. Hij stelt dat MosquitoNo hem structureel heeft benadeeld en via schijnovereenstemming herhaaldelijk tijd heeft gerekt en hem heeft misleid. Ook stelt hij dat hij de grootste schuldeiser is van MosquitoNo en dat zijn vordering € 386.000,00 bedraagt.
4.22.
De kantonrechter stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast van het gestelde onrechtmatig handelen door [gedaagde] op de curator rust. De curator komt echter niet verder dan het noemen van enkele data en gebeurtenissen en het daaruit trekken van de conclusie dat “er helemaal geen sprake van een aanhouding om een regeling te onderzoeken, maar alleen om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen gelden aan het vermogen van MosquitoNo te onttrekken”. Dat is te kort door de bocht.
Of de mondelinge behandeling van de faillissementsaanvraag überhaupt op verzoek van [gedaagde] is aangehouden is niet onderbouwd. Het initiatief daartoe kan ook door MosquitoNo zijn genomen. [gedaagde] stelt immers dat juist MosquitoNo tijd heeft gerekt met schijnvoorstellen. De curator onderbouwt zijn beschuldiging aan het adres van [gedaagde] verder niet. Zoals in het voorgaande is overwogen, verzet de wet zich niet tegen het executeren van een vonnis zolang de faillietverklaring niet is uitgesproken. Ook verzet de wet zich niet tegen de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis als daartegen de verzettermijn nog open staat. Dat het handelen van [gedaagde] onrechtmatig was, of misbruik van bevoegdheid opleverde, kan zonder nadere onderbouwing – die niet is gegeven – dan ook niet worden gevolgd. Evenmin valt in te zien waarom het in ontvangst nemen van de executieopbrengst door [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Conclusie
4.23.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de curator worden afgewezen.
4.24.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] , die in persoon procedeert, worden begroot op € 50,00 aan verletkosten, omdat [gedaagde] eenmaal naar de (rol)zitting is gekomen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Voetnoten

1.J.E.P.A. van Hooff e.a. (red.),
2.Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz,I
3.Randnummer 32 dagvaarding
4.In dezelfde zin: rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2015:1410 (https://www.inview.nl/document/idf198497e1a1f4b19825efa4865e5c90c)