In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg op 4 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het betreft een besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen om de kamer van verzoeker, die in een huurwoning woont, te sluiten op basis van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester heeft op 28 oktober 2025 besloten de kamer te sluiten voor de duur van zes maanden, nadat er verdovende middelen en handelsattributen in de kamer van verzoeker zijn aangetroffen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar. De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of er sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd was om de kamer te sluiten, gezien de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen die de grenzen voor zowel hard- als softdrugs overschrijden. De voorzieningenrechter oordeelt dat de sluiting van de kamer een geschikt en noodzakelijk middel is om de overtreding van de Opiumwet te beëindigen en de openbare orde te herstellen. De gevolgen van de sluiting voor verzoeker zijn niet onevenwichtig, aangezien de burgemeester meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de openbare orde dan aan de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waardoor de burgemeester de kamer van verzoeker kan sluiten in afwachting van de beslissing op bezwaar.