ECLI:NL:RBLIM:2025:11649

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
25-008118
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inbeslagname van voertuig en retentierecht in faillissement

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak betreffende de inbeslagname van een Mercedes-Benz G-klasse, die onder klager was genomen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek. Klager, die zich beroept op een retentierecht, verzocht om teruggave van het voertuig, dat in beslag was genomen op 11 februari 2025. De rechtbank ontving het klaagschrift op 27 maart 2025 en heeft op 14 oktober 2025 de zaak behandeld in openbare raadkamer, waarbij klager, zijn advocaat en de officier van justitie zijn gehoord. De curator van de failliete eigenaar van de auto was ook op de hoogte gesteld van het klaagschrift.

De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift ontvankelijk was, maar ongegrond. De officier van justitie had rechtmatig gehandeld door het voertuig aan de curator van de failliete boedel terug te geven, aangezien het conservatoir beslag op de Mercedes was vervallen door het faillissement van de eigenaar. Klager had geen opeisbare vordering op het moment van inbeslagname, waardoor zijn beroep op het retentierecht niet kon slagen. De rechtbank concludeerde dat de klager geen belang meer had bij zijn beklag, omdat het beslag niet meer bestond en de Mercedes deel uitmaakte van de failliete boedel. De beschikking werd openbaar uitgesproken door rechter K.G. Witteman, met de mogelijkheid voor klager om binnen veertien dagen in cassatie te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Strafrecht
Zittingsplaats Maastricht
parketnummer : 03/035262-25
raadkamernummer : 25-008118
datum : 25 november 2025
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L.P.H. Hameleers, [adresgegevens advocaat] ),
hierna te noemen: de klager.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94a Sv, blijkt dat op 11 februari 2025 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen [naam bestuurder ] een Mercedes-Benz G-klasse met chassisnummer [chassisnummer] (hierna: de Mercedes) in beslag is genomen.

Procedure

Het klaagschrift is op 27 maart 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld en daarbij de klager, zijn advocaat mr. L.P.H. Hameleers en de officier van justitie gehoord.
De belanghebbende [naam curator] , curator in het faillissement van de oorspronkelijk eigenaar van de auto [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] , is in kennis gesteld van het klaagschrift en de mogelijkheid geboden zijn standpunt kenbaar te maken. Dit heeft hij schriftelijk gedaan. Hij is niet in raadkamer verschenen.
[naam bestuurder ] , bestuurder van [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] , is eveneens als belanghebbende opgeroepen. Hij is niet in raadkamer verschenen.
De uitspraak is bepaald op 25 november 2025 om 09.00 uur.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen Mercedes aan de klager.
Namens de klager is aangevoerd dat inbeslagname van de Mercedes onrechtmatig is geweest. De klager oefende op het moment van de inbeslagname zijn retentierecht uit over de Mercedes van [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] . Hij heeft voor een bedrag van € 19.402,83 aan reparaties verricht aan de Mercedes, waarvoor hij nog niet is betaald. Het Openbaar Ministerie mocht vanwege het retentierecht de Mercedes niet in beslag nemen en had, toen [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] failliet werd verklaard, de Mercedes niet aan de curator moeten afgeven maar moeten teruggeven aan de klager.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de Mercedes aan de klager. Op 11 februari 2025 is na machtiging hiertoe van de rechter-commissaris conservatoir beslag gelegd op de Mercedes tot bewaring van het recht van verhaal in het geval [naam bestuurder ] een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. De Mercedes bleek eigendom te zijn van het bedrijf van [naam bestuurder ] , [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto]
Dit bedrijf is recent failliet verklaard. Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Faillissementswet (Fw) is het conservatoir beslag daarmee van rechtswege komen te vervallen en is de Mercedes in de boedel gevallen. De Mercedes is daarom aan de curator in het faillissement, [naam curator] , overgedragen. Nu er geen beslag meer rust op de Mercedes, heeft de klager geen belang meer bij een beslissing op zijn beklag. Hij moet hierin dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Standpunt van de belanghebbende

De curator van [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] stelt zich op het standpunt dat niet vaststaat dat de klager een retentierecht toekwam. Mocht dit zo zijn, dan zou zich dit vanwege het ingetreden faillissement van [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] oplossen overeenkomstig de bepalingen van artikel 60 Fw: de klager zou alsdan zijn vordering ter verificatie kunnen indienen en een bijzonder voorrecht hebben op de opbrengst, doch slechts na omslag in de algemene faillissementskosten. Omdat de Mercedes zich niet langer in de macht van de klager bevindt, kan de klager hoe dan ook geen retentierecht uitoefenen. De klager moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag, althans het klaagschrift moet ongegrond worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd. Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling van dit klaagschrift stelt de rechtbank het volgende voorop.
Ontvankelijkheid
In zijn arrest van 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3104, heeft de Hoge Raad overwogen, voor zover hier van belang:
3.4
Vooropgesteld dient te worden dat het onderhavige beklag (...) het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om, in afwijking van de hoofdregel van artikel 116, eerste lid, Sv, de inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan de beslagene (de klager), in dit geval aan de curator in het faillissement van [A] AG, te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden.
De A-G schrijft in zijn conclusie [1] het volgende:
Rechthebbende in de zin van de artikelen 116 en 552a Sv kan ook degene zijn die het bezit van het voorwerp toekomt krachtens een beperkt zakelijk recht, zoals het pandrecht, of een recht met een absoluut karakter, zoals het retentierecht, vgl. HR 21 mei 1996, DD 1996.328.
De klager, die zich beroept op het retentierecht, dient naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbende te worden aangemerkt. In navolging van de Hoge Raad in zijn hiervoor genoemde arrest van 15 april 2003 zal de rechtbank in deze zaak, waarin het beslag al is opgeheven en teruggave is gelast aan een derde,
in casude curator, het beklag behandelen alsof de Mercedes nog niet aan de curator is teruggegeven.
Inhoudelijke beoordeling
Als de klager, zoals hij stelt, een retentierecht toekwam op het moment dat de Mercedes onder hem in (derden)beslag werd genomen, geldt dat dit door het strafrechtelijk beslag niet is tenietgegaan. [2]
Retentierecht
Artikel 3:290 van het Burgerlijk Wetboek (BW) definieert het retentierecht als de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan.
Om een retentierecht rechtsgeldig in te roepen, moet worden voldaan aan een aantal vereisten. Allereerst dient de vordering die niet voldaan wordt opeisbaar te zijn (artikel 6:52 BW) tenzij, zo wordt in de literatuur aangenomen, zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 6:80, eerste lid, BW. [3] Ten tweede dient er voldoende samenhang te bestaan tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van andermans zaak. Ten derde dient de zaak waarover het retentierecht wordt uitgeoefend in de feitelijke macht van de retentor te zijn.
Opeisbaarheid vordering
Bij het klaagschrift is een factuur gevoegd gericht aan [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] (
sic), gedateerd 15 februari 2025. Onder aan de factuur is vermeld: “Wij verzoeken u het factuurbedrag per ommegaande te voldoen”. Het ontbreken van een termijn valt op: blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreft de klager een eenmanszaak. [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] betreft een rechtspersoon. Niet blijkt dat tussen partijen een betalingstermijn is overeengekomen.
Wanneer geen afwijkende betalingstermijn is afgesproken, geldt overeenkomstig artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een termijn van 30 dagen waarbinnen de betaling moet zijn gedaan. Ook als, in afwijking hiervan, wordt uitgegaan van een directe opeisbaarheid van het op de factuur vermelde bedrag, staat echter vast dat het strafvorderlijk beslag reeds is gelegd voordat de vordering volgens de factuur opeisbaar was.
Over de opeisbaarheid van de vordering heeft de klager in raadkamer toegelicht dat, nadat hij een groot aantal reparaties aan de Mercedes had uitgevoerd, nog zou worden besproken welke aanvullende werkzaamheden hij nog zou verrichten. Wel was met [naam bestuurder ] afgesproken dat eerst een aanbetaling van € 15.000,00 zou worden gedaan voordat de klager verder zou werken aan de Mercedes.
Ook als het waar is wat de klager hierover verklaart, levert ook dit nog geen opeisbare vordering op, omdat uit zijn verklaring slechts blijkt dat de klager niet verder zou werken aan de Mercedes voordat de aanbetaling zou zijn gedaan, maar niet dat hieraan enige termijn was verbonden.
Evenmin doet zich een situatie voor als bedoeld in artikel 6:80, eerste lid, BW. Pas toen de Mercedes in beslag werd genomen, moet het voor de klager duidelijk zijn geweest dat de kans dat [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] B.V. zijn betalingsverplichting zou nakomen, gering was. Dit verklaart ook de datum van de factuur, die lijkt enkele dagen na de inbeslagneming in allerijl te zijn verstuurd.
Voldoende samenhang
De vordering hangt samen met reparaties aan de Mercedes. Aan dit vereiste is derhalve voldaan.
Feitelijke macht
De Mercedes is bij de inbeslagneming op 11 februari 2025 opgehaald bij de klager en naar Domeinen Roerende Zaken (kortweg; Domeinen) gebracht en bevond zich vanaf dat moment niet meer in klagers feitelijke macht.
Conclusie
De klager had weliswaar de feitelijke macht over de Mercedes op het moment dat deze bij hem in (derden)beslag werd genomen, maar hij had op dat moment (nog) geen opeisbare of een daaraan gelijk te stellen vordering op [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] waaraan hij een retentierecht kon ontlenen dat hij aan de beslaglegger kon tegenwerpen.
Gevolgen faillissement
Artikel 33 Fw luidt:
Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op enig deel van het vermogen van de schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde ogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.
Gelegde beslagen vervallen; de inschrijving van een desbetreffende verklaring van de rechter-commissaris machtigt de bewaarder van de openbare registers tot doorhaling. Het beslag herleeft, zodra het faillissement een einde neemt ten gevolge van vernietiging of opheffing van het faillissement, mits het goed dan nog tot de boedel behoort. Indien de inschrijving van het beslag in de openbare registers is doorgehaald, vervalt de herleving, indien niet binnen veertien dagen na de herleving een exploot is ingeschreven, waarbij van de herleving mededeling aan de schuldenaar is gedaan.
Ingevolge artikel 33 FW is het strafvorderlijk beslag komen te vervallen, en de Mercedes, die tot het vermogen van [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] behoorde, is deel gaan uitmaken van de failliete boedel waarover de curator [naam curator] als beheerder is aangesteld. De curator is door de officier van justitie dan ook op goede gronden aangemerkt als rechthebbende.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de officier van justitie bij zowel de inbeslagname van de Mercedes als de teruggave hiervan aan een derde, te weten de curator, rechtmatig heeft gehandeld. Het klaagschrift zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Deze beslissing, die is genomen op basis van de stukken die de rechtbank in dit kader ter beschikking zijn gesteld en hetgeen in raadkamer naar voren is gebracht, laat onverlet dat in de verificatieprocedure over de vordering van de klager op [naam van de oorspronkelijke eigenaar van de auto] afwijkend kan worden geoordeeld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G. Witteman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.V. Haring, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Tegen de beschikking van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beschikking.

Voetnoten

3.Zie over het vereiste van opeisbaarheid mr. M.A. Heilborn, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.3.4.4