ECLI:NL:RBLIM:2024:7649

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 oktober 2024
Publicatiedatum
25 oktober 2024
Zaaknummer
ROE 24/4048
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning logistiek centrum Weert

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert voor het bouwen van een logistiek centrum met twee kantoren. Verzoekers, wonend in de directe omgeving, maakten bezwaar tegen de vergunning vanwege onder meer vermeende strijd met de goede ruimtelijke ordening en onvoldoende verkeersonderzoek.

Na het ongegrond verklaren van het bezwaar door verweerder, stelden verzoekers beroep in en vroegen zij de voorzieningenrechter om de vergunning voorlopig te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende sprake was van onverwijlde spoed, mede omdat de sloop en bouw nog niet konden starten vanwege ontbrekende sloopmelding en aanvullend flora- en faunaonderzoek.

Ook werd een verkeersrapport van verzoekers buiten beschouwing gelaten wegens late indiening en strijd met de goede procesorde. De voorzieningenrechter verwees naar een eerdere afwijzing van een vergelijkbaar verzoek voor een ander project op hetzelfde bedrijventerrein.

Gelet op deze omstandigheden en de belangenafweging concludeerde de voorzieningenrechter dat het treffen van een voorlopige voorziening niet noodzakelijk was. Het verzoek werd derhalve afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het logistiek centrum wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4048

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2024 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] ,

[naam 3]en
[naam 4] ,
[naam 5]en
[naam 6] ,
[naam 7] ,
[naam 8]en
[naam 9], allen wonend in [plaats] ,
hierna gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers,
(gemachtigde: mr. Z.P. Kruiver)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder

(gemachtigden: [Naam gemachtigde 1] , [Naam gemachtigde 1] , [Naam gemachtigde 1] , [Naam gemachtigde 1] )
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Heylen Warehouses Development The Netherlands B.V.(vergunninghoudster).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2024 (hierna: de omgevingsvergunning) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleed voor het bouwen van een logistiek centrum met twee kantoren aan de [adres 1] en [adres 1] en [adres 2] in [plaats] .
Bij besluit van 18 juli 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (bekend onder zaaknummer ROE 24/4047) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Desgevraagd heeft vergunninghoudster tweemaal gereageerd op het door verzoekers gestelde spoedeisende belang.
Verzoekers hebben vervolgens een nadere onderbouwing gegeven van het spoedeisende belang.
Op 7 oktober 2024 hebben verzoekers nadere stukken ingediend, waaronder een (tegen)rapport van Movares over de verkeersaspecten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekers en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Namens verzoekers zijn [naam 3] , [naam 4] en [naam 7] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en [Naam gemachtigde 2] van ingenieursbureau Movares. Vergunninghoudster is niet verschenen.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de indiening van het verkeersrapport van Movares op 7 oktober 2024 in strijd is met de goede procesorde. Zoals ter zitting besproken, wordt dit rapport vanwege de gedetailleerdheid en uitgebreidheid en de late termijn van indiening door de voorzieningenrechter buiten beschouwing gelaten.

Overwegingen

Inleiding
1. Vergunninghoudster heeft op 15 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een logistiek centrum met twee kantoren op de betreffende locatie in [adres 3] in [plaats] . De omgevingsvergunning is aangevraagd voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘maken en of veranderen van een uitweg’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Verweerder heeft de aanvraag mede aangemerkt als aanvraag voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
2. Op 1 februari 2024 heeft verweerder de omgevingsvergunning voor deze activiteiten verleend. Verweerder heeft voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ medewerking verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en op de grond dat de afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De vergunde afwijking van het bestemmingsplan ziet onder meer op de goothoogte van 15 meter waarin het bouwplan voorziet, in afwijking van de in het bestemmingsplan opgenomen maximale goothoogte van 12 meter. Verzoekers wonen in de directe omgeving van het plan en hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.
Het bestreden besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Verweerder heeft daarbij onder meer nader gemotiveerd waarom verweerder de afwijking van het bestemmingsplan voor de goothoogte niet in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening en waarom de aspecten verkeer, flora en fauna en stikstof volgens verweerder niet aan vergunningverlening in de weg staan.
Standpunt verzoekers
4. Verzoekers zijn het niet eens met het bestreden besluit en zijn van mening dat verweerder de verleende omgevingsvergunning bij het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Verzoekers voeren aan dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het aspect verkeer onvoldoende is onderzocht. Verzoekers wijzen daarbij op een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 maart 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:1309, over een ander project (EVO Park) op hetzelfde bedrijventerrein en vinden dat verweerder naar aanleiding van die uitspraak onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar een alternatieve verkeersafwikkeling. Verder stellen verzoekers dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel en dat ten onrechte de natuurtoestemming voor de aspecten stikstof en flora en fauna niet is aangehaakt.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij het verzoek om voorlopige voorziening hebben verzoekers verzocht de werking van het bestreden besluit te schorsen en daarmee de activiteiten die zien op de realisatie van het bouwplan te voorkomen dan wel te stoppen, zolang de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan op het beroep.
5.1.
Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat sloop als eerste nodig is om het bouwplan te kunnen realiseren en dat die sloop nog moet worden uitgevoerd door de huidige eigenaar (niet zijnde vergunninghoudster), die daarvoor nog geen sloopmelding heeft gedaan. Verder is uit de gedingstukken, waaronder de reacties van vergunninghoudster, gebleken dat er nog geen definitieve planning is voor sloop en bouw, omdat daarvoor nog een aanvullend flora- en faunaonderzoek nodig is naar de mogelijke aanwezigheid van nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen, en verblijfplaatsen van vleermuizen. Verzoekers hebben ter zitting naar voren gebracht dat zij samen met Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg in dat verband een verzoek tot (preventieve) handhaving hebben ingediend bij gedeputeerde staten van Limburg. Het aanvullend flora- en faunaonderzoek kan nog negen maanden duren, zo hebben verzoekers ter zitting gesteld. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat er nog behoorlijke tijd overheen gaat voordat met de vergunde activiteit kan worden gestart. Gelet hierop, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken van de vereiste spoed.
5.2.
Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat bij uitspraak van heden de verzoeken om voorlopige voorziening over het andere project (EVO Park) op hetzelfde bedrijventerrein zijn afgewezen, waarbij soortgelijke aspecten aan de orde zijn. Gelet op de betrokken belangen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom geen sprake van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. N.A.M. Bergmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 25 oktober 2024.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.