Werknemer was sinds augustus 2023 in dienst bij werkgever en werkte als logistiek medewerker. Op 11 juni 2024 gaf werknemer mondeling aan dat hij en zijn vriendin ontslag namen en terugkeerden naar het buitenland. Werkgever bevestigde de opzegging en stelde dat de arbeidsovereenkomst per direct was beëindigd. Werknemer meldde zich echter de volgende dag ziek en betwistte de opzegging.
Werknemer vorderde in kort geding achterstallig loon en loondoorbetaling bij ziekte. De kantonrechter oordeelde dat de opzegging van werknemer weliswaar een duidelijke beëindigingsverklaring was, maar dat werkgever niet terecht mocht aannemen dat werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen vanwege de context, waaronder de ziekmelding en eerdere spanningen op het werk.
De opzegging van werknemer werd daarom niet rechtsgeldig geacht. De mededeling van werkgever dat het dienstverband was geëindigd kwalificeerde als een opzeggingshandeling van werkgever, die echter vernietigbaar is. Werknemer had binnen twee maanden een verzoek tot vernietiging moeten indienen, maar had dat nagelaten. Hierdoor is de vervaltermijn verstreken en kan de loonvordering niet worden toegewezen.
De kantonrechter wees de vordering af en veroordeelde werknemer in de proceskosten. Het vonnis benadrukt het belang van tijdige juridische stappen bij betwiste beëindigingen en bevestigt de strikte toepassing van vervaltermijnen in het arbeidsrecht.