Verzoeker, voormalig kapper, diende een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Participatiewet, welke door het college werd afgewezen vanwege onduidelijkheden over zijn financiële situatie en het ontbreken van controleerbare bewijsstukken over zijn vermogen en inkomsten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks het ontbreken van voldoende bewijs om vast te stellen dat verzoeker in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert, de belangen van verzoeker om een uitkering te ontvangen zwaarder wegen dan het belang van het college om zorgvuldig met gemeenschapsgelden om te gaan. Verzoeker kampt met problematiek zoals een herseninfarct, verslavingen en is aangemeld voor een afkicktraject.
De rechter wijst de voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker gedurende drie maanden de helft van de toepasselijke norm ontvangt als voorschot, waarbij het college binnen die periode een definitief besluit op de aanvraag zal nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.