Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
[derde-partij]uit [plaats] , ex-werkneemster.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een beroep van een werkgeefster tegen het besluit van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen aan een ex-werkneemster met ingang van 16 februari 2023, waarbij de eerste ziektedag is vastgesteld op 18 februari 2021. De werkgeefster betoogt dat de ex-werkneemster ten onrechte hersteld is verklaard door de bedrijfsarts bij haar vorige werkgever en dat sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid, wat neerkomt op een beroep op de medische afzakker.
De rechtbank overweegt dat de medische afzakker een werknemersbeschermend karakter heeft en dat het beroep van de werkgeefster hierop niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, mede vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb. Subsidiair is vastgesteld dat niet is voldaan aan de vereisten van de medische afzakker, omdat niet blijkt dat de ex-werkneemster lager betaald werk is gaan doen of minder uren is gaan werken zonder zich ziek te melden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgebreid gemotiveerd dat de eerste ziektedag terecht is vastgesteld op 18 februari 2021. De werkgeefster heeft geen voldoende specifieke medische onderbouwing geleverd om dit oordeel te betwisten en er is geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep van de werkgeefster wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt gehandhaafd.