ECLI:NL:RBLIM:2024:1400
Rechtbank Limburg
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verdeling en verkoop van gemeenschappelijke woning na beëindiging relatie
Partijen, voormalige partners, zijn eigenaar van een woning die zij gezamenlijk bezitten. Na beëindiging van hun relatie woont de man sinds 2018 in de woning. De vrouw heeft schulden en BsGW legde beslag op haar aandeel in de woning. Partijen sloten een minnelijke regeling over verkoop via een makelaar, maar de vrouw trok de opdracht in en schakelde een andere makelaar in, wat tot onenigheid leidde.
De vrouw vordert ontruiming van de woning door de man en medewerking aan verkoop en levering, alsmede betaling door de man van een deel van door BsGW opgelegde aanslagen. De man vordert toedeling van de woning aan zichzelf met uitsluiting van de vrouw, een termijn om financiering rond te krijgen, en verrekening van een geldlening.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw niet eenzijdig de makelaar kan wisselen en dat de kort gedingprocedure niet geschikt is voor definitieve verdeling. De man krijgt een termijn van drie maanden om financiering te regelen voor overname van de woning tegen €320.000, met ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij uitblijven van financiering wordt een makelaar benoemd om de woning te verkopen. Geldvorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Man krijgt drie maanden om financiering te regelen voor overname woning; bij uitblijven wordt makelaar benoemd voor verkoop; geldvorderingen afgewezen; proceskosten gecompenseerd.