Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
In het procesdossier ziet de rechtbank ook geen contra-indicaties voor de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. De verklaring van [slachtoffer] acht de rechtbank dan ook bruikbaar voor het bewijs.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
- immateriële schade: € 10.000,-
- studievertraging: € 6.675,-
- immateriële schade: € 2.000,-
- reiskosten: € 343,50
- herinrichtingskosten van de slaapkamer: € 888,-
- proceskosten.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van een bedrag van € 343,50, bestaande uit materiële schade;
- vermeerdert dit bedrag met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
- wijst de vordering van [benadeelde partij] voor zover deze ziet op de materiële schade van de herinrichting van de slaapkamer af (het gaat om een bedrag van € 888,-);
- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering voor zover deze ziet op de immateriële schade (een bedrag van € 2000,-) niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de door de benadeelde partij [benadeelde partij] gevorderde proceskosten bij de burgerlijke rechter dienen te worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van € 343,50;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.