Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2023
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Op basis van de beschikbare informatie kan niet gesteld worden dat cliënt als gevolge van zijn psychische klachten dusdanige en langdurige beperkingen had dat hij tenminste drie aaneengesloten geen onderwijs kon volgen gedurende zijn inburgeringsperiode.
.Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, te weten meer dan 18 maanden. Eiser heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500,00. De bezwaarfase heeft (afgerond) ongeveer 10 maanden, en daarmee ongeveer 4 maanden te lang geduurd. Het beroepschrift is ontvangen op 7 mei 2021. De beroepsfase heeft daarmee (afgerond) 31 maanden, en daarmee 13 maanden te lang geduurd. Gelet daarop acht de rechtbank het redelijk om de overschrijding van de redelijke termijn voor 1/4 toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor 3/4 toe te rekenen aan de beroepsfase. Van de schadevergoeding dient verweerder daarom 1/4 = € 375,00 te betalen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) 3/4 = € 1.125,00. Omdat dit verzoek tot schadevergoeding ter zitting is gedaan en dit verder ter zitting niet inhoudelijk is besproken, ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor dit verzoek.