Uitspraak
Datum uitspraak: 9 november 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van € 1.250 op en bepaalde dat hij de lening voor de inburgeringscursus moest terugbetalen, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn aan zijn inburgeringsplicht had voldaan. Appellant stelde dat hij door psychische klachten niet tijdig kon inburgeren en overhandigde medische adviezen en ondersteunende documenten.
De minister vroeg medische machtigingen op, maar ontving deze pas in de beroepsfase, waarna Argonaut medische adviezen opstelde. Deze concludeerden dat onvoldoende medische informatie beschikbaar was om te bepalen of appellant gedurende de originele inburgeringsperiode door ziekte geen onderwijs kon volgen. De rechtbank wees het beroep af, maar de Raad van State oordeelde dat de boete onevenredig was gezien de financiële situatie van appellant.
De Raad matigde daarom de boete met 75% tot € 312,50, maar handhaafde de terugbetalingsverplichting van de lening omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde dat hij in de originele periode niet kon deelnemen aan het inburgeringsexamen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht wordt gematigd tot € 312,50, terwijl de terugbetalingsverplichting van de lening gehandhaafd blijft.