Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de brief van 22 maart 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
2.De feiten
- een op 21 februari 2019 voor (thans) onbepaalde tijd tussen de erflaatster en [erfgenaam 3] als verhuurders en [gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie] als huurder tegen een huurprijs van € 1.210,00 per maand (verder: huurovereenkomst 1). Op die huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte van toepassing.
- een op 1 maart 2019 voor onbepaalde tijd tussen [erfgenaam 3] als verhuurder en [gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie] als huurder tegen een huurprijs van € 850,00 per maand (verder: huurovereenkomst 2).
- vanaf maart 2019 tot en met februari 2020 de huurpenningen op de gemeenschappelijke rekening van de erflaatster en [erfgenaam 3] betaald
- vanaf maart 2020 tot en met augustus 2021 geen huurpenningen op de gemeenschappelijke rekening van de erflaatster en [erfgenaam 3] betaald
- vanaf september 2021 tot en met maart 2022 maandelijks € 850,00 (in plaats van
3.Het geschil in conventie en in voorwaardelijke reconventie
4.De beoordeling
of[erflaatster] en niet [naam 1]
en[erflaatster]
medeverhuurder, in zijn eentje en zonder medewerking van de andere deelgenoot/verhuurder een huurkorting kon verlenen. Ook dit moet tot de conclusie leiden dat het verweer onder c niet slaagt.
5.De beslissing
- de huurachterstand tot en met november 2022 van € 33.980,00;
- de contractuele boete van € 300,00 per maand vanaf maart 2020 tot en met november 2022 van in totaal € 9.900,00
- de geldende huurprijs van € 1.210,00 gerekend van december 2022 tot en met het einde van huurovereenkomst 1, te vermeerderen met de contractuele boete van € 300,00 per kalendermaand indien [gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie] niet tijdig is overgegaan tot betaling,