4.1.De bepalingen van de Wnb over de beoordeling van plannen, projecten of andere handelingen, die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Aan eisers 1 en 2 kan het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, niet worden tegengeworpen. Omdat de rechtbank daarom toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van alle beroepsgronden van het beroep laat zij in het midden of het relativiteitsvereiste wel aan de andere eisers kan worden tegengeworpen.
Beroep op het arrest van het Hof van 10 november 2022
5. Verweerder is bij de bestreden vergunningverlening uitgegaan van de in 2015 vergunde situatie als referentie en heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevraagde situatie niet voorziet in een toename van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied. Eisers hebben ter zitting onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest van het Hof betoogd dat de nieuwe aanvraag met toepassing van de vereisten van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ook opnieuw passend beoordeeld moet worden. Eisers zijn van mening dat, vanwege dit arrest van het Hof, de in 2015 verleende vergunning niet als referentie dient te worden genomen omdat er sprake is van een nieuwe stal en dus van een feitelijk nieuwe emissiebron in een omgeving met overbelaste voor stikstof gevoelige waarden.
6. Het Hof heeft in de aan de orde zijnde Deense zaak geoordeeld dat voortzetting, onder ongewijzigde voorwaarden, van de exploitatie van een installatie die reeds in de projectfase is vergund, in beginsel niet hoeft te worden onderworpen aan de in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn neergelegde beoordelingsverplichting. Wanneer echter de aan de afgifte van de vergunning in kwestie voorafgaande beoordeling enkel betrekking had op de gevolgen van het project afzonderlijk – zonder dat in aanmerking werd genomen dat dit project bestond naast andere projecten – en die vergunning de voortzetting van die exploitatie bovendien afhankelijk stelt van de voorwaarde dat een nieuwe vergunning wordt verkregen waarin het nationale recht voorziet, moet aan de afgifte van deze nieuwe vergunning een nieuwe beoordeling voorafgaan die voldoet aan de vereisten van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.
7. De rechtbank stelt vast dat de natuurvergunning die op 10 december 2015 aan vergunninghoudster is verleend, tot stand is gekomen na een passende beoordeling en dat de door verweerder op 21 februari 2019 ontvangen aanvraag ziet op een, vanuit natuurbeschermingsbelangen, zeer geringe wijziging van de inrichting van vergunninghoudster ten opzichte van de in 2015 vergunde situatie. Daarom hoeft, in lijn met het oordeel van het Hof, de voortzetting in beginsel niet opnieuw te worden onderworpen aan de in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn neergelegde beoordelingsverplichting. Voor afwijking van dat uitgangspunt ziet de rechtbank in de onderhavige situatie namelijk geen aanleiding. Niet gesteld of gebleken is dat de in 2015 verleende vergunning gebrekkig tot stand is gekomen of gebrekkig is, zodat niet meer mag worden uitgegaan van de daarbij vergunde situatie. De draaiing van de stal resulteert naar het oordeel van de rechtbank in dit verband niet in een gewijzigd project. Evenmin is sprake van de voorwaarde van een verplichte periodieke herbeoordeling, zoals in de Deense zaak aan de orde was. Anders dan eisers leest de rechtbank in het arrest van het Hof niet een ongeclausuleerde plicht om bij elke aanvraag opnieuw een volledige passende beoordeling te maken.