De zaak betreft een geschil tussen twee besloten vennootschappen over betaling van facturen voor de afvoer van digestaat, een restproduct van groen gasproductie. Eiser factureerde in 2019 een bedrag van €127.762,29 voor afvoer in 2016-2017, maar gedaagde betaalde niet vanwege de illegale aard van de afvoer. Eiser was strafrechtelijk veroordeeld voor illegale afvoer met vervalste vervoerbewijzen, waarbij een wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld. Gedaagde was eveneens veroordeeld voor andere strafbare feiten rondom digestaat.
Eiser vorderde betaling van de facturen, maar gedaagde stelde dat betaling zou leiden tot wederrechtelijk verkregen voordeel en dat eiser misbruik van bevoegdheid maakte door betaling te vorderen. De rechtbank oordeelde dat eiser bewust heeft gewacht met facturering om facturen buiten de ontnemingsvordering te houden, wat misbruik van bevoegdheid oplevert. Daarom werden de vorderingen van eiser afgewezen.
In reconventie stelde gedaagde dat eiser tekortgeschoten was in de nakoming van de overeenkomst door illegale afvoer en aansprakelijk was voor schade. De rechtbank stelde vast dat eiser inderdaad tekortgeschoten was en aansprakelijk is voor de schade uit die tekortkoming, maar wees de vordering tot vergoeding van overige schade, waaronder advocaatkosten en reputatieschade, af wegens onvoldoende onderbouwd causaal verband. Proceskosten werden gecompenseerd.