Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het (verdere) procesverloop
- [minderjarige] , die apart is gehoord;
- de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een zaak over de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verbleef enkele maanden bij de moeder via een gedoogconstructie, omdat de vader niet meer in staat was zorg te dragen. De moeder had geen gezag over het kind. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vanwege ernstige zorgen over het welzijn van het kind, waaronder depressieve klachten en isolatie.
De moeder stelde zich op als belanghebbende vanwege de hechte band die zij met het kind had opgebouwd. De rechtbank onderzocht of de moeder door de uithuisplaatsing rechtstreeks in haar belangen werd geraakt. Hoewel er sprake was van een verdiept family life tussen moeder en kind, concludeerde de rechtbank dat de moeder geen gezag had en dat de tijdelijke aard van de gedoogconstructie betekende dat zij geen rechten kon ontlenen aan de verblijfplaats van het kind.
De GI trok een verzoek tot verlenging van een machtiging in een tweede zaak in. De rechtbank wees dit verzoek af. De machtiging tot uithuisplaatsing in de hoofdzaak werd wel verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling, omdat het verblijf bij de moeder niet meer voldeed aan de voorwaarden en het welzijn van het kind in het geding was. De minderjarige gaf aan dat het verblijf bij de zorgaanbieder Reflex haar beter beviel en dat terugkeer naar de ouders op dit moment niet mogelijk was.
De rechtbank wees het verzoek van de moeder om als belanghebbende te worden aangemerkt af en verklaarde de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling; de moeder is geen belanghebbende in deze procedure.