ECLI:NL:RBLIM:2022:3974
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens samenwoning zonder belangenafweging
Eiseres ontving vanaf 2017 een bijstandsuitkering en woonde sinds september 2019 alleen op een adres. Het college trok per 3 februari 2020 haar bijstandsuitkering in omdat zij vanaf die datum samenwoonde met een ander, waardoor zij niet langer als alleenstaande werd beschouwd. Eiseres betwistte de abrupte intrekking en stelde dat zij te goeder trouw handelde en dat de bewindvoerder tekort was geschoten.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de bijstand kon intrekken op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Participatiewet, omdat eiseres geen zelfstandig subject van bijstand meer was. Echter, het college had een belangenafweging moeten maken bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid, wat niet was gebeurd in het bestreden besluit.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van de intrekking echter in stand, omdat het college ter zitting alsnog een gemotiveerde belangenafweging had gemaakt die de intrekking kon dragen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd, maar de intrekking per 3 februari 2020 blijft in stand.