Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2022:2690

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
31 maart 2022
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
C/03/302810 FTRK 22/77
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 370 FwArt. 376 FwArt. 379 FwArt. 380 FwArt. 369 lid 7 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming observator in besloten akkoordprocedure ex artikel 379 juncto 380 Faillissementswet

Verzoekster, een besloten vennootschap die turnkey projecten in de champignonindustrie ontwikkelt, heeft een startverklaring ingediend voor een besloten akkoordprocedure ex artikel 370 Faillissementswet Pro. Na interne geschillen en een aanzienlijke schuldenlast van ruim €700.000,00, mede veroorzaakt door onttrekkingen en een financieel uit de hand gelopen Duits pilotproject, wenst verzoekster haar schulden te saneren via een WHOA-traject.

De rechtbank heeft het verzoek tot benoeming van een observator ex artikel 379 juncto Pro 380 Faillissementswet behandeld. Verzoekster heeft het verzoek om een afkoelingsperiode ingetrokken. De rechtbank acht aannemelijk dat verzoekster niet kan voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij bezig is met de voorbereiding van een akkoord.

De rechtbank wijst het verzoek toe en benoemt mr. C.W.M. Slegers als observator. De kosten van de observator, vastgesteld op maximaal €15.282,18 exclusief btw, komen voor rekening van verzoekster, die tevens verplicht is zekerheid te stellen voor betaling. De observator dient zijn schriftelijke zienswijze te delen met stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders.

Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2022 door de rechtbank Limburg, zittende in raadkamer.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot benoeming van een observator toe en stelt de maximale kosten vast op €15.282,18 exclusief btw.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Team Toezicht
Verzoek benoeming observator ex artikel 379 juncto Pro artikel 380 Faillissementswet Pro
Zaaks-/rekestnummer: C/03/302810 FTRK 22/77
uitspraakdatum: 31 maart 2022
Beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 379 juncto Pro artikel 380 van Pro de Faillissementswet (Fw), met bijlagen, van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] .,
Gevestigd: [adresgegevens verzoekster] ,
statutair gevestigd te Beringe,
hierna te noemen verzoekster,
advocaat mr. P.E. Butterman, kantoorhoudende te Breda.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 11 maart 2022 een startverklaring ex artikel 370
Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd en bij verzoekschrift met bijlagen van
11 maart 2022 verzocht een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro te gelasten voor een periode van vier maanden alsmede een observator te benoemen ex artikel 380 Fw Pro.
1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
De verzoeken zijn op 23 maart 2022 in raadkamer behandeld middels een videoverbinding dan wel telefonische verbinding. Daarbij waren aanwezig mevrouw
[naam gevolmachtigde] namens verzoekster, daartoe gevolmachtigd door de middellijk bestuurder van verzoekster, bijgestaan door mr. P.E. Butterman voornoemd.
1.4
Tijdens de behandeling van voornoemde verzoeken heeft verzoekster het verzoek om een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro te gelasten ingetrokken.

2.De onderbouwing van het verzoek

2.1.
Ter onderbouwing van haar verzoek voert verzoekster het volgende aan.
2.2.
Verzoekster houdt zich – kort weergegeven - bezig met de ontwikkeling en uitvoering van turn-key projecten in de champignonindustrie. Daarbij moet worden gedacht aan ontwikkeling, bouw en verkoop van klimaatsystemen, en complete compost- en champignonbedrijven. Over de hele wereld worden projecten uitgevoerd.
2.3.
Na het overlijden van de vorige middellijk bestuurder van verzoekster op 13 april 2020 zijn er geschillen ontstaan tussen de kinderen van de voormalige bestuurder - die door de bestuurder waren voorzien als zijn opvolgers - en zijn echtgenote. Dat heeft geleid tot verschillende procedures, onder andere bij de Ondernemingskamer. Ook is gebleken dat de voormalige bestuurder ruim € 600.000,00 aan verzoekster heeft onttrokken. Verzoekster heeft middels procedures getracht deze som terug te krijgen, maar is daar (nog) niet geheel is geslaagd. Al deze omstandigheden zijn een aanslag geweest op de bedrijfsvoering en liquiditeiten van verzoekster. Bovendien is een pilotproject in Duitsland -dat als opstap kan dienen tot meerdere miljoenenprojecten - ‘financieel uit de klauwen gelopen’.
2.4.
Voormelde omstandigheden maken dat verzoekster een schuldenlast heeft van ruim € 700.000,00. Met de betaling van haar schulden kan zij niet meer voortgaan. Verzoekster wenst daarom middels een WHOA-traject een onderhands akkoord te bereiken en daarmee haar schulden te saneren.
2.5.
Verzoekster acht het wijs om een objectief persoon mee te laten kijken naar de totstandkoming van het akkoord. Dat is in het belang van de schuldeisers, maar ook in het belang van verzoekster voor het welslagen van het akkoord, nu de mening van zo’n objectieve en onafhankelijke persoon naar de schuldeisers veelal een positieve uitstraling zal hebben. Daarom is het aanstellen van een observator aangewezen..

3.De beoordeling

3.1.
Het onderhavige verzoek is het eerste verzoek dat verzoekster aan de rechtbank heeft voorgelegd gelijktijdig met het deponeren van de startverklaring. Verzoekster heeft blijkens de gedeponeerde startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure.
Nu verzoekster de keuze heeft gemaakt voor een besloten akkoordprocedure is dit verzoek in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien derden in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te geven op het verzoek.
3.2.
Verzoekster is statutair gevestigd te Beringe. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef Pro en onder b Fw en artikel 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om dit verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 369 lid 8 Fw Pro, artikel 262 onder Pro a Rv en artikel 1:10 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek volgt dat de rechtbank
Limburg relatief bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
De bevoegdheid van de rechtbank ligt hiermee voor de verdere akkoordprocedure vast.
3.3.
De rechtbank acht genoegzaam aangetoond dat verzoekster verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. Dit gelet op haar schuldenlast afgezet tegen de thans gegenereerde omzet. Verder is aannemelijk dat verzoekster bezig is met de voorbereiding van een akkoord als bedoeld in Titel IV afdeling 2 Fw. De rechtbank acht daarom het verzoek tot aanstelling van een observator op grond van het bepaalde in artikel 379 juncto Pro artikel 380 Fw Pro toewijsbaar.
3.4.
Verzoekster heeft drie mogelijk als observator aan te stellen personen voorgedragen en van hen offertes overgelegd. De rechtbank zal de hierna onder de beslissing genoemde persoon aanstellen.
3.5.
De kosten van de observator komen voor rekening van verzoekster. In deze beslissing zullen de kosten die de werkzaamheden van de observator ten hoogste mogen bedragen worden vastgesteld op het bedrag dat de te aan te stellen observator in zijn offerte heeft opgegeven. De rechtbank wijst erop dat verzoekster wettelijk verplicht is om mee te werken aan het onderzoek door de observator, waaronder de betaling van zijn kosten.
3.6.
Voor zover de observator een schriftelijke zienswijze indient bij de rechtbank dient hiervan een kopie te worden verschaft aan de stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders. Verzoekster is gehouden op verzoek van de observator diens zienswijze onder de stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders te verspreiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt aan als observator als bedoeld in artikel 380 Fw Pro: mr. C.W.M. Slegers, Postbus 270, 6000 AG Weert;
4.2.
stelt het bedrag dat de werkzaamheden van de observator ten hoogste mogen kosten vast op € 15.282,18 exclusief b.t.w.;
4.3.
bepaalt dat de kosten van de observator ten laste van verzoekster komen en dat verzoekster voor de betaling daarvan ten genoegen van de observator zekerheid dient te stellen.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.R.M. de Bruijn, voorzitter, mr. J.H. Steverink en
mr. M.P. de Valk, rechters en in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken door mr. B.R.M. de Bruijn op 31 maart 2022.