Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2021 in de zaak tussen
[Naam 1] , te [woonplaats] , eiser,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
in principeéén inrit wordt toegestaan en dat een aanvraag voor een tweede inrit extra zwaar wordt getoetst en daarnaast gemotiveerd moet worden dat een tweede inrit nodig is, acht de rechtbank niet in strijd met artikel 4:81 van Pro de Awb. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in het beleid tot uitdrukking gebracht dat, in het kader van de toets aan de weigeringsgrond ‘veilig en doelmatig gebruik van de weg’, van de weigeringsbevoegdheid gebruik zal worden gemaakt wanneer het een aanvraag voor een tweede inrit betreft waarvan de noodzaak niet is aangetoond. Wanneer die noodzaak er wel is dan kan verweerder in uitzondering op het uitgangspunt dat vanuit veiligheid en doelmatigheid slechts één inrit is toegestaan, toch tot verlenen van een inritvergunning overgaan. De rechtbank is verder van oordeel dat dit blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het ‘noodzaakcriterium’ moet aldus blijkens de beleidsregels worden geplaatst binnen de toets die verweerder verricht in het kader van een veilig en doelmatig gebruik van de weg. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het noodzaakcriterium geen zelfstandige weigeringsgrond mag zijn, maar met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het beleid (en ook in het bestreden besluit) dit noodzaakcriterium niet als zelfstandige weigeringsgrond is gehanteerd, maar dient ter invulling van de weigeringsgrond ‘veilig en doelmatig gebruik van de weg’, waarbij een maximum is gesteld aan het aantal inritten per woning (één en in uitzonderlijke gevallen twee).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021