Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten in conventie en reconventie
3.Het geschil
4.De beoordeling
- dagvaarding € 102,96
- griffierecht € 236,00
- salaris gemachtigde
Rechtbank Limburg
Partijen zijn verhuurder en huurder van een woonruimte in [woonplaats]. De huurder veroorzaakte schade aan de badkamer en aan het plafond van de benedenbuurman door onvoldoende onderhoud en nalatigheid. De verhuurder herstelde de schade op eigen kosten en stelde de huurder aansprakelijk voor de kosten, die niet werden voldaan.
De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens tekortkoming van de huurder. De huurder voerde verweer en stelde dat de schade voortkwam uit achterstallig onderhoud en dat de verhuurder de CAI/internetaansluiting had afgesloten, wat hij wilde herstellen.
De kantonrechter oordeelde dat het bewijsvermoeden van artikel 7:218 lid 2 BW Pro dat de huurder de schade heeft veroorzaakt onvoldoende is weerlegd. De huurder is tekortgeschoten in zijn zorgplicht en nakoming van de huurovereenkomst. De ontbinding en ontruiming zijn gerechtvaardigd. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €998,25 herstelkosten met wettelijke rente en in de proceskosten. De vordering van de huurder tot herstel van de internetverbinding wordt afgewezen wegens gebrek aan belang na ontbinding.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van herstelkosten met rente.