Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Rijkswaterstaat,
1.De procedure
- het op 24 maart 2020 per e-mail ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen, tevens incidenteel verzoek ex art. 223 Rv Pro, en de op 23 april 2020 en 11 mei 2020 van de zijde van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] ter griffie ontvangen nagekomen bijlagen
- het verweerschrift, tevens voorwaardelijk tegenverzoek, eveneens met bijlagen
- de mondelinge behandeling ter zitting van 12 mei 2020.
2.De feiten
voordien nog nooit met Justitie in aanraking ben geweest;
- nooit ook maar een gram van welke soort van drugs dan ook bij mij is aangetroffen;
- op de hoogte was dat een aantal mensen die ik ken zich bezighielden met cannabis. Het
- zelf nooit in ook maar een plantage fysiek aanwezig ben geweest;
- niet op welke andere manier dan ook me ooit bezig heb gehouden met illegale en/of
- mij er terdege van bewust ben, dat het door mij in opdracht van Rijkswaterstaat verrichten van tijdelijke werkzaamheden, slechts in afwachting is van de uitspraak van de Belgische rechter;
- mij er terdege van bewust ben, dat na de uitspraak van de Belgische rechter, het
Wat ik wel begrijp is waarom ik hier sta. Ik ben betrokken bij 3 plantages, namelijk die van [naam 1] , [namen 2] en [namen 3] . Ik heb foute keuzes gemaakt, waar ik enorm veel spijt van heb en ik neem verantwoordelijkheid voor mijn aandeel en aanvaard daarvan de consequenties.”
Eerste beklaagde geeft toe in bepaalde mate betrokken te zijn geweest bij de volgende plantages,
plantage te [plaats 1] aangetroffen in de woning van vierde beklaagde en waarvan eerste beklaagde erkent de geldschieter te zijn geweest en als dusdanig schuldig te zijn aan de
plantage te [plaats 2] , [adres 2] in de woning van zevende en achtste beklaagde en waarvan eerste beklaagde erkent te hebben geholpen bij het verwerven van de dienstige
plantage te [plaats 2] , [adres 3] en waarvan eerste beklaagde zijn betrokkenheid erkent zonder zijn precieze rol verder te specifiëren en als dusdanig zijn schuld toegeeft aan de
eachte heer [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] ,
3.Het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek
voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst mocht ontbinden” (daarbij dan kennelijk doelend op de situatie dat de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt èn anticiperend op een tegenverzoek van RWS om in dat geval tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan) doorbetaling van het loon tot aan de ontbinding onder toewijzing van de transitievergoeding met rente en een billijke vergoeding van € 25.000,00 met rente, eveneens onder verwijzing van RWS in de proceskosten met rente en de nakosten.
onverwijldontslag op 27 januari 2020 niet meer worden gesproken, aldus [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] .
4.De beoordeling
nietin staat: namelijk wat hij wèl gedaan heeft.