De cliëntenraad van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg werd door de stichting ontbonden, terwijl noch de toen geldende Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) noch het cliëntenraadreglement een ontbindingsmogelijkheid voorzagen. De cliëntenraad vorderde in kort geding herstel van haar functioneren en toegang tot faciliteiten.
De rechtbank oordeelde dat de stichting niet bevoegd was tot ontbinding zonder toestemming van het cliëntenplenum, wat niet was gebleken. Er waren geen klachten van een brede cliëntenkring die de ontbinding rechtvaardigden, en het reglement voorzag niet in tussentijdse beëindiging door de stichting.
Daarom werd de vordering van de cliëntenraad toegewezen, met een termijn van 48 uur voor herstel van de situatie en een gemaximeerde dwangsom. De stichting werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.