Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Limburg
Eiser ontving vanaf april 2012 een WW-uitkering, gevolgd door ZW- en WIA-uitkeringen en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na een fraudemelding door de Kamer van Koophandel onderzocht verweerder de rechtmatigheid van deze uitkeringen. Verweerder concludeerde dat eiser niet als werknemer verzekerd was omdat hij niet had meegewerkt aan het onderzoek en geen bezwaar had gemaakt tegen de intrekking van de WW-uitkering.
De rechtbank oordeelt dat eiser ten tijde van zijn arbeidsongeschiktheid geen recht had op de genoemde uitkeringen omdat hij niet als werknemer verzekerd was in de zin van de Ziektewet en de Wet WIA. Eiser had bezwaar moeten maken tegen het eerste besluit tot intrekking van de WW-uitkering, wat hij niet heeft gedaan. De motivering van de bestreden besluiten is voldoende en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen is terecht.
De rechtbank wijst erop dat het rechtszekerheidsbeginsel in uitzonderingsgevallen terugwerkende kracht kan beperken, maar eiser heeft niet onderbouwd waarom dit in zijn situatie zou gelden. Ook de financiële situatie van eiser vormt geen dringende reden om terugvordering te matigen. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking en terugvordering van uitkeringen worden ongegrond verklaard.