Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
De Provincie Limburg,
1.[gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] ,
[gedaagde in de hoofdzaak sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 6 juni 2018, met de producties 1 tot en met 21;
- de bij bericht van 12 juni 2018 door de Provincie ingebrachte producties 22 tot en met 24;
- de bij bericht van 13 juni 2018 door de Provincie ingebrachte productie 25;
- de bij bericht van 14 juni 2018 door gedaagden ingebrachte productie 1;
- de bij bericht van 14 juni 2018 van de secretaresse van mr. Wagemans ingezonden brief aan de Edelachtbare Vrouwe Voorzieningenrechter van bemiddelaar Wagemans;
- de bij bericht van 14 juni 2018 door gedaagden ingebrachte productie 2;
- het proces-verbaal van de zitting van 14 juni 2018;
- de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 14 juni 2018;
- de op voorhand door [gedaagde in de hoofzaak, eiser in het incident sub 1] ingediende incidentele conclusie tot schorsing van het geding met producties 3 tot en met 7;
- het bericht van 22 juni 2018 van de raadsman van de Provincie inhoudende dat hij veronderstelt dat de incidentele conclusie ter zitting zal worden behandeld;
- de bij bericht van gedaagden in de nacht van 22 op 23 juni ingebrachte producties 8 tot en met 14;
- de zijdens de Provincie voorgedragen en overgelegde pleitnotities;
- de zijdens gedaagden voorgedragen en overgelegde pleitnota;
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2018.
2.De feiten
- gebod aan de Staat om de schending van de soevereiniteitsrechten per ommegaande te doen eindigen en alle verstoringen te herstellen;
- bepaling dat de Staat zijn soevereiniteitsrechten niet mag gebruiken buiten het eigen territorium.
“(…)
8. Ten nutte van de niet verkochte deelen (…) en ten laste van de bij deze acte verkochte strook van het perceel (…) wordt gevestigd een recht van weg over die strook naar den gemeenteweg van Schinnen naar Nuth bekend als [adres] . (…)
)
) te kennen gegeven dat in de ontsluiting van het perceel van verzoeker is voorzien door verlenging van de aanwezige doorgang onder de autosnelweg. De bewoordingen van de erfdienstbaarheid die zien op de toegestane hoogte van een autosnelweg of ander werk acht verweerder niet duidelijk. Hoewel de hoogte van de kunstwerken de 78 meter zal overschrijden en de kunstwerken (grotendeels) zijn gesitueerd op het perceel waarop de erfdienstbaarheid betrekking heeft, wordt de achterliggende bedoeling van die erfdienstbaarheid, zijnde het behoud van zicht op het landgoed, niet door de bouw van de kunstwerken geschonden. Na de bouw zal er immers vanaf het heersend erf geen zicht bestaan op de kunstwerken. Voorts is, aldus verweerder, niet uitgesloten dat vanwege het ontbreken van een redelijk belang bij uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid tot opheffing van de erfdienstbaarheid kan worden overgegaan. (…)