Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
1 maart 2016 tot en met 30 september 2016 en van 5 september 2016 tot en met 30 september 2016 inkomsten uit werk heeft gehad. In verband met deze werkzaamheden en het daaruit verkregen inkomen heeft verweerder de Wajong-uitkering herberekend, met als resultaat dat, over de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 september 2016, de Wajong-uitkering is verlaagd. In totaal is aan uitkering een brutobedrag van € 916,34 ten onrechte betaald. Op 23 november 2016 heeft verweerder het primair besluit genomen met betrekking tot de herziening van de Wajong-uitkering. Op 5 december 2016 heeft verweerder een primair besluit genomen met betrekking tot het definitief terug te vorderen bedrag over de genoemde periode.
€ 458,17.
5 september 2016 tot en met 30 september 2016, terwijl het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed waren op zijn recht op uitkering (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1906). In het bestreden besluit stelt verweerder dat er in zijn bestanden niet is terug te vinden dat eiser aan verweerder informatie heeft doorgegeven en/of informatie heeft opgevraagd over zijn stage en de vergoeding daarvoor. Er is in het dossier van verweerder géén schriftelijke of telefonische melding van de stagewerkzaamheden van eiser terug gevonden. Verweerder concludeert dan ook dat eiser niet uit zichzelf informatie heeft gegeven over zijn stage en de vergoeding daarvoor in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 maart 2016 en in de periode 5 september 2016 tot en met 30 september 2016.
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.