Uitspraak
1.[eiser 1] , gevestigd te Stein,
2.[eiser 10] , wonend te Elsloo,
3.[eiser 11] , wonend te Stein,
4.[eiser 12] , wonend te Stein,
5.[eiser 13 en] [eiser 14] , wonend te Stein,
(ECLI:NL:RBLIM:2015:4084)deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond. Dit oordeel is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevestigd in haar uitspraak van 24 februari 2016
(ECLI:NL:RVS:2016:492).
(ECLI:NL: RVS:2016:737)moet, wil er sprake zijn van belanghebbendheid als hiervoor bedoeld, aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. In haar uitspraak van 23 augustus 2017
(ECLI:NL:RVS:2017:2271)heeft de Afdeling een nadere invulling van het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gegeven en daartoe onder meer overwogen dat uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit (zoals een bestemmingsplan of een vergunning) toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
(ECLI:NL: RVS:2013:CA3631).
alle besluiten diekrachtens enig wettelijk voorschrift
zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijkingvan de in bijlage I van deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten. In bijlage I is als categorie aangewezen, voor zover hier van belang: verwezenlijking van werken en gebieden krachtens een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voortvloeit dat de Chw niet alleen van toepassing is op een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor zover het betreft de verwezenlijking van de bouw van meer dan 11 woningen, maar ook op een omgevingsvergunning op diezelfde titel, als hier in geding,
ten behoeve vande verwezenlijking van de bouw van meer dan 11 woningen.
- ten onrechte is nagelaten advies in te winnen bij de provincie, het waterschap en de leidingbeheerder;
- ten onrechte is nagelaten een recent flora- en faunarapport op te doen stellen;
- geluidsnormen ontbreken op de verbeelding van het plan;
- de hogere grenswaarden ten behoeve van de te realiseren 24 woningen niet correct zijn vastgesteld;
- onderzoeken ten aanzien van water, bodem en milieu in twijfel worden getrokken; en
- sprake is van ongeoorloofde staatssteun,
(ECLI:NL:RVS:2016:732). Deze correctie houdt in dat de schending van een wettelijke norm die niet strekt ter bescherming van de belangen van een belanghebbende, kan bijdragen tot het oordeel dat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die wel strekt tot de bescherming van de belangen van de belanghebbende is geschonden. Eisers hebben betoogd dat de inhoud en strekking van het bestemmingsplan ‘Kern Stein’ bij hen die verwachtingen heeft gevestigd en achten het in strijd met die gewekte verwachtingen en met de rechtszekerheid dat van dit recente bestemmingsplan dat met zoveel waarborgen tot stand is gekomen, wordt afgeweken.
(ECLI:NL:RVS:2015:1655), bevat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen vereisten voor de aanwijzing van categorieën gevallen en houdt het evenmin een beperking in voor de categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing. Dat betekent evenwel niet dat die categorieën ook op een zodanige wijze mogen worden geformuleerd dat aan de aanwijzing geen of nauwelijks nog onderscheidende betekenis meer valt toe te kennen; een dergelijke aanwijzing voldoet niet aan de daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen en maakt bovendien de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde hoofdregel zinledig.
(ECLI:NL:RVS:2010:BN7034)overweegt de rechtbank dat een beeldkwaliteitplan een buitenwettelijk instrument is waaraan in beginsel geen juridisch bindende betekenis toekomt. De beroepsgrond dat een beeldkwaliteitkader ontbreekt, slaagt daarom niet.
(ECLI:NL:RVS:2017:353)). Bij de behoefte kan het ook gaan om de kwalitatieve behoefte (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2015,
(ECLI:NL:RVS:2015:3444)).
.In het rapport is verantwoord dat tegen de achtergrond van de centrumfunctie van het totale winkelcentrum, de huidige trends en de vergrijzing, de uitbreiding van de discountsupermarkt in een behoefte voorziet. Van een beweerdelijk overaanbod aan supermarkten in de kern van Stein lijkt geen sprake. Anders dan van de kant van eisers is gesteld is er rekening gehouden met de voorspelde bevolkingskrimp in de gemeente Stein (weliswaar met stabilisatie van het aantal inwoners in de kern) en met het aanbod van supermarkten, alsook met de plannen en ontwikkelingen in de regio rondom de gemeente Stein, in die zin dat aangenomen is dat de ontwikkeling van het centrumplan een aantrekkende werking zal hebben. De door eisers genoemde leegstand in het winkelcentrum fase 1, wat daar verder van zij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gerelateerd aan het bouwplan voor een discountsupermarkt in fase 2. Verweerder heeft mede met realisatie van een discountsupermarkt ingezet op een versterking van de aantrekkende werking van het centrumplan. Eisers hebben niet met een deskundig tegenrapport of anderszins aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een actuele behoefte aan het herbouwen van een discountsupermarkt in fase 2 als onderdeel van het centrumplan. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook niet.