Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 18 december 2017
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Limburg
Eiseres is enig en algeheel erfgename van haar overleden echtgenoot en eigenaar van een onroerende zaak. Gedaagde, ex-echtgenoot van de dochter van eiseres, legde conservatoir en executoriaal beslag op deze onroerende zaak uit hoofde van vorderingen op de dochter, die echter geen aandeel in de nalatenschap bezit.
Eiseres vordert opheffing van de beslagen omdat de titel voor de beslaglegging ondeugdelijk is en zij schade lijdt doordat zij de onroerende zaak niet kan verkopen. Gedaagde voert aan dat de beslagen terecht zijn gelegd ter zekerheid van een vordering van circa €159.000,00.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres heeft voldaan aan een eerdere betalingsverplichting en dat het beslag op de onroerende zaak aan een ander adres is opgeheven. Het belang van eiseres bij opheffing van het beslag op de onroerende zaak aan het adres waarover de koopovereenkomst is gesloten, weegt zwaarder dan het belang van gedaagde bij handhaving.
Daarnaast is het executoriaal beslag ten laste van de dochter onterecht omdat zij geen onverdeeld aandeel in de nalatenschap heeft. Het beslag is onnodig en kan geen zekerheid bieden. Het gevorderde verbod tot beslaglegging op andere vermogensbestanddelen wordt afgewezen wegens te onbepaaldheid.
Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank heft het conservatoir en executoriaal beslag op de onroerende zaak op en veroordeelt gedaagde in de proceskosten.