Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[verdachte],
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen een vennootschap onder firma die verdacht werd van deelname aan een criminele organisatie gericht op fraude met PGB-gelden. De verdachte werd niet ter zitting vertegenwoordigd en de zaak werd inhoudelijk behandeld in november 2017. De dagvaarding werd uitgebracht op 25 juni 2016.
Uit het handelsregister bleek dat de vennootschap op 1 juni 2015 ambtshalve was doorgehaald wegens opheffing. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vervalt het recht tot strafvervolging niet als de vervolging is ingesteld vóórdat de ontbinding voor derden kenbaar was. In dit geval was de ontbinding echter al ruim voor de dagvaarding kenbaar.
De rechtbank concludeerde dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging van de vennootschap onder firma omdat de dagvaarding na de ontbinding werd uitgebracht. Daarom werd de vervolging tegen de vennootschap niet-ontvankelijk verklaard.
De tenlastelegging betrof deelname aan een criminele organisatie die zich schuldig zou hebben gemaakt aan verduistering, diefstal, oplichting, valsheid in geschrift, witwassen en heling in de periode van 2009 tot 2014. De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 51 lid 3 Sr Pro en relevante jurisprudentie over vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de ontbonden vennootschap onder firma.