Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank stelt vast dat de tekortkomingen aan het KCA depot in juni 2014 door de Arbeidsinspectie zijn ontdekt, terwijl eiser reeds sinds november 2013 niet meer werkzaam was op milieupark Randwyck. Nu in de tussenliggende acht maanden van alles kan zijn gebeurd berust de stelling van verweerder dat het zeer waarschijnlijk is dat de tekortkomingen al langere tijd bestonden en dat eiser hierop kan worden aangesproken als plaatsvervangend beheerder, op een ongefundeerde aanname. Het eiser verweten plichtsverzuim is in dit verband dan ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet, bij gebrek aan deugdelijk vastgestelde en objectieve gegevens, zonder nadere motivering van de kant van verweerder, niet in waarom het uiterst onwaarschijnlijk zou zijn dat de situatie in de tussenliggende periode tot stand zou zijn gekomen. Een deel van de gebreken die de Arbeidsinspectie constateert, hebben betrekking op goederen die op de verkeerde plek in het depot zijn opgeslagen, hetgeen in de tussenliggende periode kan zijn gebeurd. Ook stelt eiser terecht dat een (substantieel) deel van de gebreken die de Arbeidsinspectie constateert geen gebreken zijn die de medewerkers van het milieupark kunnen worden aangerekend, maar gebreken met een structureel karakter, zoals mankementen aan (de bouw en inrichting van) het depot zelf. Hiervan kan verweerder een verwijt worden gemaakt. Ten slotte werpt het bovenstaande de vraag op waarom, als de gebreken reeds bestonden vóór november 2013, niet in de tussentijd de gebreken zijn hersteld door de personen die thans werkzaam zijn op milieupark Randwyck. Hen kan net zo goed een verwijt van de gebreken worden gemaakt als zij de situatie in stand hebben gelaten. De rechtbank is echter niet gebleken dat er door verweerder maatregelen zijn getroffen ten aanzien van de huidige medewerkers van milieupark Randwyck, hetgeen een schijn van willekeur oplevert.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.488,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016. De voorzitter is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.