ECLI:NL:RBLIM:2016:2474
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken criminele intentie bij verkoop hennepteeltbenodigdheden
Op 3 juni 2015 vond een politiecontrole plaats in een winkelpand te Echt, waar verdachte als verkoopmedewerker werkzaam was. In het pand werden diverse goederen aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij hennepteelt, zoals slakkenhuizen en een koolstoffilter. De officier van justitie stelde dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat deze goederen bestemd waren voor illegale hennepteelt, en dat hij deze ondanks kennis van de wetswijziging na 1 maart 2015 bleef verkopen.
De verdediging betwistte de criminele intentie en gaf plausibele verklaringen voor de aanwezigheid van de goederen, zoals gebruik voor de duivensport en moestuinactiviteiten. De rechtbank onderzocht de parlementaire geschiedenis en concludeerde dat voor een veroordeling bewezen moet worden dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de goederen bestemd waren voor strafbare hennepteelt.
De rechtbank oordeelde dat de winkel niet als klassieke growshop kon worden aangemerkt en dat verdachte en medeverdachte aannemelijke verklaringen hadden gegeven voor de aanwezigheid van de goederen. Er was onvoldoende bewijs voor criminele intentie. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor criminele intentie bij verkoop van goederen voor hennepteelt.