Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
16 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van schuldwitwassen. Verdachte werd ervan verdacht op of omstreeks 14 oktober 2011 een geldbedrag van circa 39.520 euro te hebben verworven, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geld uit een misdrijf afkomstig was.
Het hof oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om schuldwitwassen te bewijzen, maar stelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan opzetwitwassen, een feit dat niet ten laste was gelegd. Het hof vond dat het ontbreken van een concrete en verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld niet voldoende was om schuldwitwassen aan te tonen.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te veronderstellen dat opzettelijk handelen het bewijs voor schuldwitwassen uitsluit. Opzet en schuld kunnen naast elkaar bestaan en het feit dat verdachte opzettelijk handelde sluit niet uit dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit een misdrijf afkomstig was. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.