ECLI:NL:RBLIM:2016:2469
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken criminele intentie bij verkoop tuinartikelen in winkel
De rechtbank Limburg behandelde op 22 maart 2016 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het medeplegen van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. De verdenking hield in dat verdachte in een winkelpand stoffen, voorwerpen en gegevens te koop aanbood die bestemd zouden zijn voor grootschalige illegale hennepteelt.
Tijdens een controle op 3 juni 2015 trof de politie onder meer slakkenhuizen, een koolstoffilter, catalogi en diverse tuinbenodigdheden aan in de winkel. De officier van justitie stelde dat verdachte wist dat deze goederen bestemd waren voor hennepteelt en dat zij de verkoop na de wetswijziging van 1 maart 2015 willens en wetens voortzette.
De verdediging voerde aan dat de winkel zich richtte op tuin- en dierbenodigdheden, met name voor de duivensport, en dat de aangetroffen goederen ook reguliere toepassingen hadden. De rechtbank oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de winkel een growshop was en dat verdachte geen criminele intentie had om de goederen voor hennepteelt te verkopen.
Gelet op de parlementaire geschiedenis en de omstandigheden concludeerde de rechtbank dat het tenlastegelegde niet bewezen kon worden en sprak verdachte vrij van de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor criminele intentie bij verkoop van goederen die ook legitieme toepassingen hebben.