Verzoekster trad op 15 september 2015 in dienst als chauffeuse en meldde zich op 28 december 2015 ziek. De bedrijfsarts concludeerde dat zij arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk, maar aangepast werk mogelijk was. Verzoekster weigerde echter vanaf februari 2016 herhaaldelijk om aangepast werk te hervatten, ondanks oproepen en loonopschorting. Op 13 juli 2016 kreeg zij een ultimatum om te hervatten, bij niet-naleving zou ontslag op staande voet volgen. Verzoekster verscheen niet en werd ontslagen.
Verzoekster vorderde vernietiging van het ontslag en betaling van loon, stellende dat zij niet in staat was te werken en het ontslag disproportioneel was. De kantonrechter oordeelde dat verzoekster zonder gegronde reden weigerde mee te werken aan re-integratie, ondanks herhaalde pogingen van werkgever, en dat het ontslag een dringende reden vormde. Het verweer dat het ontslag onterecht was, werd verworpen.
Het tegenverzoek van werkgever tot betaling van loon over de opzegtermijn werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit te laat was ingediend, na het verstrijken van de wettelijke vervaltermijn van twee maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter veroordeelde verzoekster in de kosten van het geding en verklaarde het verzoek van werkgever niet-ontvankelijk.