De zaak betreft een kort geding tussen woningstichting Servatius en een huurder die na een last onder bestuursdwang wegens hennep in de woning zonder recht of titel is blijven verblijven. De burgemeester had de woning drie maanden gesloten vanwege de aantreffen van 3.346 gram hennep en een verklaring van de ex-partner dat hij hennep liet drogen in de woning. Servatius ontbond daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de ontbinding rechtsgevolg heeft en dat de huurder zonder recht of titel in de woning verblijft. De huurder voerde onder meer aan dat het bestuursrechtelijke besluit mogelijk wordt vernietigd en dat ontbinding onaanvaardbaar is vanwege haar persoonlijke omstandigheden en die van haar kinderen. Dit verweer wordt verworpen omdat het bestuursrechtelijke besluit tijdelijk is, maar de wetgever buitengerechtelijke ontbinding expliciet mogelijk maakt zonder onherroepelijk bestuursrechtelijk besluit.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de huurder tekort is geschoten in haar verplichtingen door het toestaan van strafbare activiteiten in de woning. Het belang van Servatius bij ontruiming en herstel van de woonomgeving weegt zwaarder dan het woonbelang van de huurder en haar gezin. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een langere termijn dan gevorderd. Proceskosten worden aan de huurder opgelegd.