Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde sub 1], handelend onder de [naam],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de door Paraat in het geding gebrachte aanvullende producties
- de op voorhand toegezonden producties van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
- de conclusie van antwoord tevens pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
- de pleitnota van Paraat
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 8 januari 2015.
2.De feiten
3.Het geschil
- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vanaf de datum van betekening van het vonnis tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van het tussen partijen bestaande non-concurrentiebeding en € 1.000,00 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, doch uiterlijk tot 1 juni 2015, zijnde de einddatum van het non-concurrentiebeding,
- [gedaagde sub 2] vanaf de datum van betekening van het vonnis tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van het tussen partijen bestaande relatiebeding en € 1.000,00 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, doch uiterlijk tot 1 juni 2016, zijnde de einddatum van het non-concurrentiebeding (de kantonrechter leest: relatiebeding),
- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de kosten van de procedure.
4.De beoordeling
- dagvaarding € 77,52
- griffierecht € 115,00
- salaris gemachtigde €
600,00