Uitspraak
10.Het beroep is ongegrond.
11.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Limburg
Eiser, geboren in 1945, ontving vanaf februari 2010 een AOW-pensioen met een korting van 10% wegens een niet-verzekerde periode. Daarnaast kreeg hij een koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (KOB). Per 1 januari 2015 werd de KOB afgeschaft en vervangen door een inkomensondersteuning AOW, waarbij dezelfde korting werd toegepast als op het AOW-pensioen.
Eiser stelde dat deze intrekking een onrechtmatige eigendomsontneming vormde in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, dat de inkomensondersteuning AOW inbreuk maakte op het recht op vrij verkeer van Unieburgers en dat sprake was van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de KOB een wettelijke grondslag heeft, een legitiem algemeen belang dient en proportioneel is, mede door de compensatie via de inkomensondersteuning AOW en de voorafgaande kennisgeving. Tevens werd geoordeeld dat het recht op vrij verkeer niet wordt geschonden omdat lidstaten hun sociale zekerheidsstelsels mogen inrichten en de korting op de inkomensondersteuning conform vaste jurisprudentie is. Ten slotte werd vastgesteld dat eiser geen recht kon ontlenen aan het vertrouwen dat zijn uitkering nooit zou worden gewijzigd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde het bestreden besluit van de Sociale Verzekeringsbank.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de koopkrachttegemoetkoming en invoering van de inkomensondersteuning AOW wordt ongegrond verklaard.