Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Afdeling Burgerlijk Recht
1.Het procesverloop
2.De feiten
- werknemer is met ingang van 1 mei 1999 ingevolge oproepcontract bij een rechtsvoorgangster van werkgeefster in dienst getreden, als oproep touringcarchauffeur;
- in de loop van 2015 is er discussie tussen partijen ontstaan; in eerste instantie heeft deze discussie uitsluitend nog betrekking gehad op door werknemer gemaakte kosten voor een voortgezette rijopleiding (code 95); in tweede instantie is daar de nabetaling bijgekomen van meer-uren, welke ingevolge artikel 7: 610b BW aan de orde zouden zijn;
- tijdens een door werknemer uitgevoerde rit, einde augustus 2015, heeft werknemer een contante betaling door een van de reizigers tot een bedrag van € 450,00 ter hand gesteld gekregen, welk bedrag hij niet op de voorgeschreven wijze heeft afgestort in een daarvoor aangewezen kluis; werknemer is dit bedrag onder zich te gaan houden en blijven houden; enerzijds om reden van de door hem zo beleefde verplichte communicatie met uitsluitend de gemachtigde van werkgeefster, anderzijds gelet op het in artikel 6: 131, 1e lid, BW bepaalde en het inmiddels namens werkgeefster gedane beroep op verjaring;
- werknemer is volhardend gebleven in zijn standpunt het bedrag van € 450,00 niet terug ter beschikking te stellen aan werkgeefster en dat heeft, na een laatste sommatie op 23 september 2015, tot een ontslag op staande voet op 24 september 2015 geleid (productie 4 bij verweerschrift).