ECLI:NL:RBLIM:2014:493

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
21 januari 2014
Zaaknummer
AWB-13_1343u
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229 GemeentewetArt. 3 Drank- en HorecawetArtikel 2 Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2012Artikel 3 Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2012Artikel 3.1.7a Tarieventabel 2012
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging legesaanslag Bibob-intake en screening wegens ontbreken belastbaar feit

Eiser heeft een legesaanslag van €1.235,88 ontvangen voor een Bibob-intake, screening en adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau Bibob in het kader van een vergunningaanvraag Drank- en Horecawet. Eiser maakte bezwaar tegen deze aanslag, dat door verweerder werd afgewezen, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank Limburg.

De rechtbank overweegt dat het toegepaste artikel uit de tarieventabel van de legesverordening geen belastbaar feit bevat zoals bedoeld in artikel 229 van Pro de Gemeentewet. De omschrijving betreft werkzaamheden die de gemeente verricht op grond van haar eigen beleidsregels in het kader van de Wet Bibob, en niet een dienst die aan eiser is verleend ten behoeve van een individualiseerbaar belang.

De rechtbank volgt verweerder niet in diens stelling dat de legesaanslag terecht is opgelegd vanwege het quasi-collectieve karakter van de kosten. De legesverordening beperkt de heffingsbevoegdheid tot het genot van verleende diensten, en artikel 7.4a 1 van de tarieventabel voldoet hier niet aan. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, de legesaanslag vernietigd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De legesaanslag voor de Bibob-intake en screening wordt vernietigd omdat deze geen belastbaar feit oplevert.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13 / 1343

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [eiser], eiser

(gemachtigde: mr. I.P. Sigmond),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg en mr. G. Marcus-Siletti).

Procesverloop

Verweerder heeft van eiser bij nota van 8 november 2012 (het primaire besluit) leges ten bedrage van in totaal € 1.235,88 geheven voor een zogenaamde Bibob-intake en screening die heeft geleid tot een adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau Bibob.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 5 april 2013 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigden door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.
Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.
2.
Eiser heeft een vergunning aangevraagd als bedoeld in artikel 3 van Pro de Drank- en horecawet (DHW). Naar aanleiding daarvan is aan hem bij brief van 27 september 2012 meegedeeld: “Het dossier vormt na interne bestudering voor ons aanleiding tot nader onderzoek. Aangezien er na de Bibob-intake en Bibob-screening vragen blijven bestaan over de onderdelen zoals verwoord in onderdeel 3 van de beleidslijn Wet Bibob van de gemeente Maastricht, delen wij u ingevolge artikel 32 van Pro de Wet Bibob mede, dat wij een advies hebben aangevraagd bij het landelijk Bureau Bibob .” Verweerder heeft vervolgens de legesaanslag opgelegd. In de legesaanslag staat onder “productsoort” vermeld : “leges Bibob en Adviesaanvraag landelijk Bureau Bibob ten behoeve van de vergunningaanvraag DHW [café], [adres] te [plaats].”
3.
Eiser is van mening dat bij de werkzaamheden waarvoor de legesaanslag is opgelegd, te weten de Bibob-intake, de Bibob-screening en het indienen van een adviesaanvraag bij bureau Bibob, geen sprake is van een dienst, omdat deze werkzaamheden niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang, maar rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met het, door de gemeente, willen bewaken van de integriteit van het openbaar bestuur. Voor zover verweerder argumenten zou kunnen ontlenen aan de wetsgeschiedenis, kan dit volgens eiser alleen maar gelden ten aanzien van de kosten van de adviesaanvraag, niet ten aanzien van de kosten die binnen het gemeentelijk voortraject zijn gemaakt. Eiser is daarom van mening dat de legesaanslag vernietigd dient te worden en verzoekt om vergoeding van de kosten die hij in bezwaar en beroep heeft gemaakt.
4.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de legesaanslag terecht is opgelegd. Verweerder voert daartoe aan dat in de Memorie van Toelichting bij de Wet Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar Bestuur (Bibob) ten aanzien van de mogelijkheid om aangaande een Bibob-onderzoek belasting te heffen het volgende is vermeld:

Uitgaande van de gedachte dat de kosten die voor bestuursorganen voortvloeien uit de aanvraag van een BIBOB-advies kunnen worden aangemerkt als (post)toelatingstoetsen, mogen deze overeenkomstig het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport <>, worden doorberekend in leges”.
Verweerder citeert in dit verband uit het rapport Maat Houden:

Het algemene uitgangspunt dat in het rapport Maat Houden is neergelegd is: handhaving van wet- en regelgeving moet in beginsel uit de algemene middelen worden gefinancierd. Toelating en post-toelating hebben echter een quasi collectief karakter, waardoor er sprake is van individueel toerekenbaar profijt/voordeel. Dit profijt bestaat daarin dat de toegelaten partij bepaalde handelingen mag verrichten die voor anderen verboden zijn dan wel gedrag mag nalaten dat voor anderen verplicht is gesteld. Daarom is al uitgangspunt geformuleerd dat de kosten van toelating in beginsel moeten worden doorberekend.
Verweerder is gelet hierop van mening dat sprake is van een aan eiser verleende dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet , en dat de legesaanslag dus terecht is opgelegd.
5.
De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve of verweerder eisers bezwaarschrift terecht ontvankelijk heeft geacht. Blijkens de gedingstukken heeft eiser na afloop van de bezwaartermijn bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de overschrijding van de bezwaartermijn in dit geval verschoonbaar is omdat verweerder bij het primair besluit heeft nagelaten aan eiser aan te geven welk rechtsmiddel hij hiertegen kon aanwenden. Verweerder heeft eiser daarom terecht in zijn bezwaar ontvangen.
6.
Met betrekking tot de rechtmatigheid van het primaire besluit overweegt de rechtbank als volgt.
7.
Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
8.
Ingevolge artikel 2 van Pro de Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2012 (Legesverordening 2012) worden onder de naam “leges” rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
9.
Ingevolge artikel 3 van Pro de Legesverordening 2012 is belastingplichtig de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.
10.
Ingevolge artikel 3.1.7a van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2012 (de Tarieventabel 2012) bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de DHW € 537,16.
11.
Artikel 7.4a 1 van de Tarieventabel 2012 beschrijft als belastbaar feit: Indien er op grond van de BIBOB-beleidslijn een zogenaamde BIBOB-intake en screening moet plaatsvinden, die uiteindelijk leidt tot een adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau BIBOB, bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen hiervan € 1.235,88.
12.
In paragraaf 2.2. van de Beleidslijn Wet Bibob Gemeente Maastricht is onder onderdeel 2 vermeld dat voor vergunningaanvragen voor een Drank- en Horecawetvergunning en/of een exploitatievergunning een ondernemingsplan met exploitatiebegroting en financieringsbegroting moet worden overgelegd. Na de toetsing van de reguliere aanvraag en het ondernemingsplan wordt er een volledige Bibob-intake en –screening toegepast indien er vragen blijven bestaan over een of meer van de daar vermelde aspecten . Paragraaf 3 vermeldt dat betrokkenen bij een Bibob-intake meer informatie moeten aanleveren om de gemeente in staat te stellen meer zicht te krijgen op de zakelijke relaties van de aanvrager die betrekking hebben op de inrichting waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. De gemeente zal daartoe een Bibob-screening uitvoeren. Indien na dit eigen onderzoek desondanks nog vragen, twijfels of onduidelijkheden blijven bestaan kan het bestuursorgaan dat voor de afgifte van de vergunning verantwoordelijk is een advies vragen bij het landelijk bureau Bibob. Dit geldt als een uiterste middel om de integriteit van een (rechts)persoon te controleren. Het betekent een behoorlijke inbreuk op de privacy en er dient voldaan te zijn aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
13.
Op grond van vaste jurisprudentie (uitspraak van de Hoge Raad van 17 april 2009, LJN: BI1253) kunnen door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden slechts als een dienst worden aangemerkt, indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang
14.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in artikel 7.4a 1 van de Tarieventabel 2012 is vermeld, gelet op artikel 2 van Pro de Legesverordening 2012, geen belastbaar feit in de zin van de Legesverordening 2012 oplevert. In artikel 7.4a 1 is immers geen beschrijving gegeven van een door het gemeentebestuur aan eiser verleende dienst. Er is slechts een beschrijving gegeven van werkzaamheden van de gemeente die in het kader van de Wet Bibob op grond van haar eigen beleidsregels moeten plaats vinden. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het logisch is dat deze werkzaamheden verband houden met een door een belanghebbende ingediende aanvraag en daarom de verleende dienst kan worden ingelezen. De rechtbank is van oordeel dat waar artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet de bevoegdheid van het gemeentebestuur om leges te heffen beperkt, er geen ruimte is om in artikel 7.4a 1 van de Tarieventabel 2012 het genot van door het gemeentebestuur verleende diensten in te lezen. Verweerder heeft de legesaanslag daarom ten onrechte opgelegd. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit, waarbij die aanslag is gehandhaafd, kan niet in stand blijven. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de werkzaamheden die het gemeentebestuur op grond van de Wet Bibob verricht in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.
15.
De rechtbank zal zelf recht doen in de zaak en de legesaanslag vernietigen.
16.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
17.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die hij in bezwaar heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 243,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 243,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Niet gebleken is van overige in bezwaar of beroep door eiser gemaakte kosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • vernietigt het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de bezwaarkosten tot een bedrag van € 243,-, te betalen aan eiser;
  • veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014.
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
w.g. A. Zweipfenning
griffier
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 21 januari 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.