ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ1606
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs na dronken rijden
Verzoeker werd op 30 november 2012 aangehouden met een alcoholpromillage van 1,863 terwijl hij vermoedelijk bestuurder was van zijn auto. Verweerder legde een onderzoek op en schorste het rijbewijs. Verzoeker betwistte dat hij de bestuurder was en stelde dat zijn zoon had gereden.
De rechtbank oordeelde dat op basis van de processen-verbaal en omstandigheden, waaronder het signalement van een dronken man en het gedrag van verzoeker ter plaatse, aannemelijk is dat verzoeker de bestuurder was. Het late tijdstip van de verklaring van verzoeker en het ontbreken van een directe verklaring van zijn zoon ondermijnden de geloofwaardigheid van hun stellingen.
Ook het medische dossier van verzoeker bood onvoldoende bewijs dat hij niet kon rennen, wat relevant was voor de waarnemingen van de getuige. De rechtbank verwierp de verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak omdat de feiten niet vergelijkbaar waren.
De voorzieningenrechter verwacht dat het bezwaar van verzoeker tegen het besluit zal worden afgewezen en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van het rijbewijs wordt afgewezen.