ECLI:NL:RBLEE:2007:BB4482
Rechtbank Leeuwarden
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Gedoogplicht voor leidingentracé zoutwinning in redelijkheid opgelegd
Verzoekers, grondeigenaren langs het leidingentracé voor zoutwinning, maakten bezwaar tegen het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat dat zij de aanleg van het leidingentracé moeten gedogen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) redelijk is opgelegd, omdat de belangen van verzoekers niet zodanig zijn dat onteigening noodzakelijk is en het gebruik van de grond niet meer wordt belemmerd dan nodig.
Het leidingentracé, in gebruik sinds april 2006, bestaat uit transportleidingen, een signaalkabel en elektriciteitskabels die diep onder de grond liggen, waardoor geen gewasschade optreedt. De zoutwinning zelf, die bodemdaling kan veroorzaken, valt buiten het bestreden besluit en is reeds in een andere procedure beoordeeld.
Verzoekers voerden aan dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming, dat Frisia Zout BV niet redelijk heeft onderhandeld over schadevergoeding, en dat de gedoogplicht ten onrechte ook voor de kabels is opgelegd. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekers voldoende gelegenheid hebben gehad hun standpunten naar voren te brengen, dat Frisia bereid is schade te vergoeden, en dat de concessie ook de kabels omvat.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en dat de gedoogplicht met de wettelijke waarborgen in overeenstemming is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van de gedoogplicht wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.