ECLI:NL:RBLEE:2002:AE6409

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
12 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/983 ABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 6:13 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:70 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming sociale kosten voor inwonende alleenstaande op grond van zelfstandige woonruimte criterium

Eiseres heeft op 6 juni 2001 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de kosten van sociaal-culturele activiteiten en vervanging van duurzame gebruiksgoederen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij over zelfstandige woonruimte moet beschikken, aangezien zij bij haar ouders woont.

Eiseres voerde aan dat deze afwijzing in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet, omdat er onterecht onderscheid wordt gemaakt tussen uitkeringsgerechtigden die zelfstandig wonen en degenen die inwonend zijn. De rechtbank overweegt dat het onderscheid in de gemeentelijke Verordening inkomensondersteuning 2000/2001 niet onredelijk is, omdat zelfstandige woonruimte hogere kosten met zich meebrengt dan inwonerschap.

De rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar kosten vergelijkbaar zijn met die van zelfstandige woonruimte. Daarom kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldoet aan de zelfstandige woonruimte voorwaarde.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/983 ABW
Inzake het geding tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf, verweerder,
gemachtigde: A. Bouland, werkzaam bij verweerders gemeente.
Procesverloop
Bij brief van 27 september 2001 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 7 augustus 2002. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.
Motivering
Op 6 juni 2001 heeft eiseres, geboren op 3 juli 1965, bij verweerder een tegemoetkoming aangevraagd voor sociaal culturele activiteiten en vervanging van duurzame gebruiksgoederen in het kader van de Abw. Bij brief van 12 juni 2001 heeft verweerder dit verzoek van eiseres afgewezen onder verwijzing naar de Verordening inkomensondersteuning 2000/2001 van verweerders gemeente (hierna: de Verordening). Het door eiseres tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft in beroep -onder meer en samengevat- aangevoerd dat de afwijzing van haar verzoek in strijd is met art. 1 van Pro de Grondwet. Verweerder maakt naar de mening van eiseres ten onrechte onderscheid tussen thuiswonende uitkeringsgerechtigden en uitkeringsgerechtigden die over zelfstandige woonruimte beschikken.
In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Art. 5 van Pro de Verordening luidt voor zover hier van belang:
Vervanging duurzame gebruiksgoederen
De alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwde heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten van vervanging van duurzame gebruiksgoederen indien hij:
1.
a. (…)
b. in het jaar van aanvraag in de gemeente Ooststellingwerf geheel of gedeeltelijk in aanmerking komt voor kwijtschelding gemeentelijke heffingen.
of:
2.a. op het moment van aanvraag, volgens de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en de in de gemeente Ooststellingwerf geldende "Verordening onroerende-zaakbelasting", tenminste drie maanden over zelfstandige woonruimte in de gemeente Ooststellingwerf beschikt en
b. (…)
c. (…)
Art. 6 van Pro de Verordening luidt voor zover hier van belang:
Kosten deelname sociaal-culturele activiteiten (…)
De alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwde heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan sociaal-culturele activiteiten (…), indien hij:
1. over 2000, in de gemeente Ooststellingwerf, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komt voor kwijtschelding gemeentelijke heffingen.
of:
2.a. op 1 september 2000, volgens de GBA en de in de gemeente Ooststellingwerf geldende "Verordening onroerende-zaakbelastingen", tenminste drie maanden over zelfstandige woonruimte in de gemeente Ooststellingwerf beschikt en
b. (…)
c. (…)
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet over zelfstandige woonruimte beschikt als bedoeld in de Verordening; zij is immers inwonend bij haar ouders. Niet in geschil is voorts dat eiseres niet geheel of gedeeltelijk voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen als bedoeld in de Verordening in aanmerking is gekomen.
Blijkens een notitie van verweerders gemeente ter voorbereiding van de Verordening wordt erkend dat bepaalde groepen burgers uit Ooststellingwerf extra ondersteund moeten worden voor bepaalde kosten en ontzien zouden moeten worden met betrekking tot bepaalde lasten. Tot deze zogenaamde "risicogroepen" behoren volgens deze notitie huishoudens met schoolgaande kinderen en huishoudens die langer op een inkomen op minimumniveau zullen zijn aangewezen (bijvoorbeeld langer dan 3 jaar werkloos, ouderen en (voormalige) één-oudergezinnen). Uit het ambtelijk rapport van 24 augustus 2001, uitgebracht in de bezwaarschriftprocedure van eiseres, blijkt voorts dat genoemde groepen door een laag inkomen in relatie met gestegen vaste lasten geacht worden bepaalde uitgaven niet uit de normuitkering en toeslag te kunnen voldoen. Daaruit volgt blijkens dit rapport dat personen die over zelfstandige huisvesting beschikken geacht worden dermate hoge uitgaven te hebben, dat zij weinig tot geen ruimte overhouden om bepaalde uitgaven te verrichten.
Mede gelet op de notitie en op voornoemd rapport is de rechtbank van oordeel dat het in de Verordening neergelegde beleid in beginsel niet onaanvaardbaar is. Dat daarbij (voor zover in dit geding van belang) een onderscheid wordt gemaakt tussen minima met zelfstandige woonruimte en inwonende minima, acht de rechtbank niet onredelijk. Immers, zij acht het in het algemeen aannemelijk dat minima met zelfstandige woonruimte meer (huisvestings)kosten uit hun inkomen zullen moeten voldoen dan inwonende minima. Door dit onderscheid te maken handelt verweerder niet in strijd met art. 1 van Pro de Grondwet, waarin onder meer is geregeld dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Immers, minima met zelfstandige woonruimte verkeren in andere financiële omstandigheden dan inwonende minima, zodat op dit punt geen sprake is van gelijke gevallen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid met toepassing van de Verordening de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen. Zij woont nog bij haar ouders in en wordt daarom, geheel in lijn met de Verordening, geacht minder kosten te hebben dan iemand die zelfstandige woonruimte heeft. Weliswaar heeft zij aangegeven dat zij haar ouders betaalt voor kost- en inwoning, telefoon en dergelijke, maar niet aannemelijk is geworden dat dit zodanig hoge kosten zijn dat er in haar geval op grond van bijzondere omstandigheden geen onderscheid zou mogen worden gemaakt tussen haar omstandigheden en die van iemand met zelfstandig woonruimte als in de Verordening bedoeld.
Het bestreden besluit kan dan ook in rechte stand houden. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2002, in tegenwoordigheid van G. Timmermans als griffier.
w.g. G. Timmermans w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroep-schrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Cen-trale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 12 augustus 2002