Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLEE:2001:AD4756

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
21 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/666 WET
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:74 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 lid 1 AwbArt. 8:84 AwbArt. 12 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing rijbewijsbesluit wegens onvoldoende motivering recidiefvrije periode

Verzoeker was betrokken bij een incident waarbij hij als bestuurder op een parkeerterrein inreed op een andere auto en agressief gedrag vertoonde. Na meerdere meldingen van onaangepast rijgedrag en een ongeval, werd een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid ingesteld. Twee deskundigen stelden vast dat verzoeker een persoonlijkheidsstoornis heeft met antisociale en borderline kenmerken.

De minister verklaarde het rijbewijs ongeldig en legde een recidiefvrije periode van ten minste twee jaar op voordat herkeuring mogelijk is. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name over de duur van de recidiefvrije periode, omdat de rapporten hierover geen concrete onderbouwing geven.

De rechtbank besloot het bestreden besluit te schorsen totdat op het bezwaar is beslist, en het griffierecht aan verzoeker te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt geschorst wegens onvoldoende motivering van de recidiefvrije periode.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.:
01/666 WET
Inzake
A, wonende te B, verzoeker,
en
de minister van verkeer en waterstaat, verweerder,
gemachtigde: mr. F.L. Schild, werkzaam bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) te Rijswijk.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2001 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van een beslissing op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (verder te noemen: WVW).
Verzoeker heeft tegen dit besluit op 27 juli 2001 een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 27 juli 2001 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingezonden.
Het verzoek is ter zitting behandeld op 20 september 2001. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder is -zoals tevoren schriftelijk bericht- niet verschenen.
Motivering
Art. 8:81 Awb Pro bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen.
Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.
Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.
Ten aanzien van de hoofdzaak heeft de president, komend tot een voorlopig oordeel, het volgende overwogen.
Op 19 mei 2000 is verzoeker betrokken geweest bij een incident waarbij hij als bestuurder van een motorrijtuig op een parkeerterrein in Heerenveen is ingereden op de auto van een andere automobilist. Nadat de automobilist hierover een opmerking maakte is verzoeker uit zijn auto gestapt en heeft hij met kracht op de voorruit van de andere automobilist geslagen.
Op 20 mei 2000 is namens de korpschef regiopolitie Friesland, basiseenheid Team Heerenveen 2, mededeling als bedoeld in art. 130 WVW Pro gedaan, inhoudende het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorie(ën) van motorvoertuigen waarvoor aan hem een rijbewijs is afgegeven. Bij deze mededeling is aangegeven dat naast het genoemde incident viermaal melding is gemaakt van ernstig onaangepast rijgedrag en dat dit gedrag op 27 april 2000 in Harlingen heeft geleid tot een ongeval. Dit ongeval betrof een aanrijding met een lichtmast.
Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder verzoeker bij brief van 10 juli 2000 in kennis gesteld van zijn besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid.
Het onderzoek naar de geschiktheid is op 28 oktober 2000 verricht door L.G. Reidsma, psychiater te Hoogeveen (hierna: Reidsma), die op 15 december 2000 van zijn bevindingen verslag heeft gedaan. Reidsma rapporteert dat diagnostisch sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met vergaande kenmerken van een antisociale- en borderline persoonlijkheidsstoornis.
Verzoeker heeft vervolgens verzocht om een tweede onderzoek als bedoeld in art. 134 lid 2 WVW Pro, welk onderzoek op 20 juni 2001 is verricht door C.J.F. Kemperman, zenuwarts/neuroloog/psychiater te Leek (hierna: Kemperman). Op 22 juni 2001 heeft deze arts van zijn bevindingen verslag gedaan. Deze arts heeft aangegeven dat betrokkene voldoet aan de criteria van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met antisociale, narcistische en borderline trekken.
Verweerder heeft bij besluit van 24 juli 2001 de uitslag naar de geschiktheid van verzoeker vastgesteld en bepaald dat de paragrafen 8.1 (Algemeen) en 8.7 (Persoonlijkheidsstoornissen) van de bijlage van de Regeling eisen geschiktheid 2000 op verzoeker van toepassing zijn. Hij heeft besloten dat verzoeker niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en dat het rijbewijs van verzoeker ongeldig wordt verklaard voor alle categorieën. Verzoeker dient ten minste twee jaar recidiefvrij te zijn, gerekend vanaf 19 mei 2000, alvorens hij door middel van een herkeuring in het bezit kan komen van een nieuw rijbewijs.
Door verzoeker is tegen deze beslissing bezwaar gemaakt bij verweerder en is aan de president van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Aangevoerd is dat verzoeker zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.
De president overweegt het volgende.
Krachtens art. 131 WVW Pro besluit de minister, indien de schriftelijke mededeling daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft, dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.
Art. 134 lid 1 WVW Pro bepaalt dat de minister na ontvangst van de bevindingen van de deskundige(n) de uitslag van het onderzoek vaststelt. Uit art. 134 leden Pro 2 en 3 WVW vloeit voort dat de minister op basis van de door hem vastgestelde uitslag van het onderzoek kan besluiten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Op grond van art. 12 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996 verklaart de minister het rijbewijs van betrokkene ongeldig als uit de onderzoeken blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer motorrijtuigen.
In dit kader beoordeelt de minister of van de bijlage van de Regeling eisen geschiktheid van toepassing is.
Met name gaat het hier om de paragrafen 8.1 en 8.7 die (voor zover hier van belang) luiden:
Paragraaf 8.1:
"De in dit hoofdstuk voorgestelde richtlijnen hebben voornamelijk betrekking op de deze situatie: een voorgeschiedenis van psychiatrische problematiek. Bij de beoordeling van die voorgeschiedenis is van belang: het ziektebeloop (de betrokkene zal bij voorkeur minstens een tot twee jaar vrij moeten zijn van recidieven, afhankelijk van de ernst van de aandoening)."
Paragraaf 8.7: Persoonlijkheidsstoornissen:
"Personen die op grond van stoornissen in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met betrekking tot de eisen van de maatschappij zullen in de regel ook in het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen zijn daarom ongeschikt voor elk rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van: gebrek aan sociale verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten miskenning van de risico's van rijden onder invloed van alcohol of andere gedragsbeïnvloedende middelen. Bij twijfel is een specialistisch rapport geboden."
De president heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de inhoudelijke conclusies van Reidsma en Kemperman. Wel is hij van oordeel dat verweerder op geen enkele manier heeft gemotiveerd waarom hij heeft besloten dat verzoeker tenminste twee jaar recidiefvrij moet zijn, gerekend vanaf 19 mei 2000, alvorens hij door middel van een herkeuring in het bezit kan komen van een nieuw rijbewijs. In de rapporten van Reidsma en Kemperman zijn voor deze periode geen aanknopingspunten te vinden, waarbij nog valt op te merken dat Kemperman spreekt van "de gebruikelijke periode", zonder dat duidelijk is wat die gebruikelijke periode is.
Dit motiveringsgebrek klemt te meer daar de bovengenoemde paragraaf 8.1 verweerder ruimte laat voor wat betreft de duur van de recidiefvrije periode, afhankelijk van de ernst van de aandoening. Het had dan ook voor de hand gelegen dat verweerder zijn keuze voor een periode van twee jaar als bovenbedoeld concreet had onderbouwd, waarbij ook de relatie met de ernst van de aandoening had moeten worden aangegeven.
Naar verwachting zal het bezwaarschrift van verzoeker gegrond moeten worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook worden toegewezen; het bestreden besluit zal worden geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de president op dat verzoek heeft beslist.
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 juncto Pro art. 8:82 lid 1 Awb Pro dient het CBR het door verzoeker gestorte griffierecht ad f 225,= te vergoeden.
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de president op dat verzoek heeft beslist;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van ƒ 225,= aan verzoeker vergoedt.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 21 september 2001, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.
w.g. P.R.M. Poiesz w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
Schriftelijke uitspraak verzonden op: 24 september 2001