2.4 Op de woning rust ingevolge het vigerende bestemmingsplan ‘Kogerveld’ de bestemming ‘Woondoeleinden’. Volgens artikel 4 (Woondoeleinden: W) van de planvoorschriften zijn gronden met dergelijke bestemming bestemd voor wonen. Artikel 5 van de planvoorschriften verbiedt het gebruik van gronden en bouwwerken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming.
2.5 Tussen partijen is in geschil of het houden en fokken van honden in de woning, zoals eiseres dat doet, in strijd is met de bestemming ‘Woondoeleinden’. De rechtbank overweegt dat de vraag of een bepaalde activiteit strijdig is met de op een perceel rustende woonbestemming, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS), zie onder meer de uitspraak van 22 maart 2001 (LJN: BL2150), beoordeeld moet worden aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft.
2.6 Aanleiding voor verweerder om tot handhaving over te gaan zijn veelvuldige klachten van omwonenden die aangeven overlast te ondervinden van eiseres en haar honden. De rechtbank stelt voorop dat voor handhaving van de woonbestemming op grond van het bestemmingsplan bepalend is of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel. Waar het gaat om diverse vormen van overlast die het houden van een groot aantal honden kan meebrengen, beschikken de overheid en omwonenden over verschillende andere mogelijkheden daar tegen op te treden. Zo kan tegen het onaangelijnd uitlaten van honden en tegen overlast door hondenpoep worden opgetreden op grond van de APV. Waar het gaat om geluidsoverlast, geuroverlast of andere overlast die omwonenden ondervinden kunnen burgers elkaar aanspreken met toepassing van de mogelijkheden die het burgerlijk recht biedt. Bij handhaving van bestemmingsplanvoorschriften kan het beschermen van omwonenden tegen overlast niet vooropstaan, omdat het daarbij gaat om handhaving van voorschriften met betrekking tot de ruimtelijke inrichting van het grondgebied van de gemeente. Dat betekent dat voor handhaving geen aanleiding bestaat als het houden van en fokken met de honden in de aantallen als bij eiseres nog valt binnen de woonfunctie.
2.7 Binnen de vraag of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel kan, volgens vaste jurisprudentie van de ABRS (zie de uitspraak van 24 februari 2000, LJN AA5479), van belang zijn – doch is niet doorslaggevend – of de activiteiten een beroepsmatig of een hobbymatig karakter hebben.
2.8 Verweerder heeft in het bestreden besluit betoogd dat een groot deel van de woning ten dienste staat van het houden van en het fokken met honden. Naast de aanwezigheid van tien volwassen Mopshonden en twee volwassen honden van het ras Cane Corso, houdt eiseres meermalen per jaar een nest puppy’s. Onder meer via haar website tracht zij die te verkopen om op die manier geld te genereren om de overige honden in onderhoud te voorzien. Op het moment van het controlebezoek was er een nest van vier puppy’s aanwezig. Uit cijfers van de website van eiseres is af te leiden dat eiseres in 2009 vier nestjes heeft gehad van in totaal eenentwintig puppy’s, in 2010 acht nestjes van in totaal eenentwintig puppy’s en in 2001 drie nestjes van in totaal twaalf puppy’s. Voorts is gebleken dat ‘de kennel’ overlast veroorzaakt voor omwonenden, aldus verweerder.
2.9 De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het houden en fokken van honden zoals eiseres dat doet kan worden aangemerkt als een activiteit met een beroepsmatige omvang. Derhalve dient te worden gesproken van een activiteit met een hobbymatig karakter (zie de uitspraak van de ABRS van 15 juli 2009, LJN BJ2606). Het houden en fokken van honden bij wijze van hobby in woningen is niet ongebruikelijk. Naar zijn aard is de ruimtelijke uitstraling van het hobbymatig houden en fokken van honden dan ook niet zodanig dat dit leidt tot strijd met de woonfunctie in het bestemmingsplan.
2.10 De vraag is vervolgens of de omvang en intensiteit van het houden en fokken van honden bij eiseres meebrengen dat de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie in de verdrukking komt. Niet is geschil is dat eiseres de woning als woonruimte gebruikt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat sprake is van een normaal ingerichte woning. Daarnaast staat de woning ten dienste van het houden van gemiddeld meer dan twaalf honden en van het fokken daarvan. Het aantal honden dat wordt gehouden is naar het oordeel van de rechtbank voor een normaal particulier bezit niet gering te noemen. De overheid dient echter terughoudend te zijn in het normaliseren van het uitoefenen van hobby’s in een woning door middel van handhaving van het bestemmingsplan. Dat vanwege het aantal honden wellicht sprake is van een uit de hand gelopen hobby, kan niet meebrengen dat reeds daarom sprake is van schending van het gebruiks-voorschrift van het bestemmingsplan. Eerst indien met een hobby als het houden en fokken van honden naar ruimtelijke uitstraling de woonfunctie van het perceel in verdrukking komt, kan van dergelijke schending worden gesproken. Dat brengt met zich dat evenmin in algemene termen gesproken kan worden van strijd met het bestemmingsplan wanneer meer dan een specifiek aantal honden en nestjes worden gehouden. In dit geval is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de omvang en intensiteit van het hondenbezit van eiseres zodanig is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van gebruik van de flatwoning voor wonen, ook als in aanmerking wordt genomen dat het een relatief kleine flatwoning betreft.
2.11 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, hoewel het hobbymatig houden en fokken van de honden van eiseres het normale particuliere bezit overschrijdt, dat nog niet betekent dat de ruimtelijke uitstraling daarvan gezien zijn aard, omvang en intensiteit niet valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel.
2.12 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. Het onderzoek door verweerder heeft onvoldoende feitelijke grondslag opgeleverd voor het met een last onder dwangsom handhaven van bestemmingsplanvoorschriften. Om deze reden zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en zal het primaire besluit worden herroepen.
2.13 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Verweerder zal worden veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting). Verweerder zal tevens worden veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten in deze procedure. De kosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.