ECLI:NL:RBHAA:2012:BX8480
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering passagiers wegens onvoldoende vluchtvertraging volgens civiele procedure
Vier passagiers hebben Transavia gedagvaard voor compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 vanwege een vermeende vluchtvertraging van meer dan drie uur op de vlucht van Rotterdam naar Genua op 9 augustus 2009.
De Inspectie Verkeer en Waterstaat had in een besluit vastgesteld dat de vlucht meer dan drie uur vertraagd was, maar de rechtbank oordeelde dat dit administratiefrechtelijke besluit geen formele rechtskracht heeft in de civiele procedure. Transavia stelde dat de vertraging slechts 2 uur en 51 minuten bedroeg, wat werd bevestigd door een vluchtuitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de luchtvaartmaatschappij.
De kantonrechter verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer van Transavia en oordeelde dat de passagiers hun vordering zelf mochten instellen omdat geen cessie was aangetoond. Uiteindelijk wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde de passagiers tot betaling van de proceskosten, omdat de vertraging onvoldoende was voor compensatie onder de verordening.
Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen omdat de vertraging minder dan drie uur bedroeg.