ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2476

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
23 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
183289
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.M.F. Greuter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 onder d FwArt. 288 lid 3 FwArt. 3 lid 1 Verordening 1346/2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens eerdere regeling binnen tien jaar

Verzoekster heeft op 7 juli 2011 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank Haarlem behandelde het verzoek op 11 augustus 2011 en hoorde verzoekster.

De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 3 lid 1 Verordening Pro 1346/2000 en toetst het verzoek aan artikel 288 lid 2 onder Pro d van de Faillissementswet. Dit artikel bepaalt dat een verzoek wordt afgewezen indien binnen tien jaar voorafgaand aan het verzoek al een schuldsaneringsregeling van toepassing was.

Uit de stukken blijkt dat verzoekster in juni 2007 een eerdere regeling had die eindigde met een akkoord dat in kracht van gewijsde is gegaan. Dit ligt binnen de tienjaarstermijn. Het akkoord impliceert een natuurlijke verbintenis waarbij de restant-schuld blijft bestaan, ondanks een kwijtingsverklaring die geen afstand van de vordering inhoudt.

Omdat geen omstandigheden zijn aangevoerd die een uitzondering op de tienjaarstermijn rechtvaardigen, wijst de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens eerdere regeling binnen tien jaar.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
rekestnummer: 183289
vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 23 augustus 2011
afwijzing schuldsanering
[verzoekster],
wonende te [plaats], [adres],
heeft op 7 juli 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 11 augustus 2011. Daarbij is verzoekster gehoord. Het proces verbaal van dit verhoor dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Gelet op artikel 288 lid 2 onder Pro d van de Faillissementswet (Fw) wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Een uitzondering op deze regel is mogelijk indien de eerdere schuldsaneringsregeling is beëindigd omdat de vorderingen zijn voldaan, de schuldenaar in staat was zijn betalingen te hervatten of de schuldsaneringsregeling is beëindigd omdat bovenmatige nieuwe schulden waren ontstaan om redenen die de schuldenaar niet zijn toe te rekenen.
Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat ten aanzien van verzoekster eerder de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Deze is in juni 2007 tussentijds geëindigd door in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van het aangeboden akkoord. Laatstgenoemde tijdstip is gelegen binnen tien jaar voor de dag van indiening van het verzoekschrift. Uit de aard en strekking van het akkoord vloeit voort dat de restant-schuld van de schuldenares op haar blijft rusten in de vorm van een natuurlijke verbintenis. De omstandigheid dat in het akkoord de standaard-zinsnede is opgenomen waarin de schuldenaar voor het onbetaald blijvende gedeelte ‘volledige kwijting’ geven wordt, is – behoudens een ondubbelzinnige andere afspraak (waarvan niet is gebleken) – te beschouwen als een verklaring waarbij geen afstand wordt gedaan van de vordering zelf, maar afstand van de rechtsvordering tot het afdwingen van voldoening. In dat geval resteert een natuurlijke verbintenis waaraan de afdwingbaarheid wordt onthouden. Het enkele meestemmen over een akkoord impliceert in beginsel niet dat afstand van de restant-vordering wordt gedaan.
Gezien het bovenstaande moet het verzoek op grond van artikel 288 lid 2 sub d van Pro de Faillissementswet worden afgewezen.
Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro. zijn niet aangevoerd of gebleken.
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. P.M.F. Greuter, rechter, en uitge¬spro¬ken ter open¬bare te¬rechtzit¬ting van 23 augustus 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier .